De mens
Er is helaas veel te melden over de staat van de mens. De mens is meedogenloos (Jer. 6:23), trouweloos (Ps. 25:3) en zonder verstand (Spr. 11:12). Daarnaast is hij van nature ordeloos (1 Thess. 5:14). De mens wil zonder God leven: “De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God“ (Ps. 53:2). ‘Goddeloos’ is een terugkerend refrein in Gods Woord.
Dan is er ook nutteloosheid: "Allen zijn zij afgedwaald, samen zijn zij nutteloos geworden. Er is niemand die goeddoet, er is er zelfs niet één" (Rom. 3:12). En radeloosheid: "Ellendig ben ik en stervende van jongs af, ik draag Uw bedreigingen, ik ben radeloos" (Ps. 88:16).
Het leven onder de zon is voor veel mensen een zinloos bestaan: "Dit zeg ik dan en getuig ervan in de Heere, dat u niet meer wandelt zoals de andere heidenen wandelen, in de zinloosheid van hun denken" (Efe. 4:17). Job roept uit: "Mijn dagen zijn sneller gegaan dan een weversspoel, ze zijn vergaan zonder hoop" (Job 7:6). Uiteindelijk is de mens ook krachteloos: "Maar een man sterft en is krachteloos; als een mens de geest geeft, waar is hij dan?" (Job 14:10).
De Heere
Wat een heerlijkheid komt er in Gods Woord naar voren als we zien hoe de Heere Zichzelf in mensentaal beschrijft. Dat wat de mens mist en wat er loos is, zien we als in een spiegelbeeld aanwezig bij de Heere.
Hij is de God van barmhartigheid, genade, geduld, Hij tiert van goedheid en is trouw (Ex. 34:6). De Heere is de God van het verstand, "Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand en Ik zal al Mijn welbehagen doen" (Jes. 46:10b). Hij is een God van orde (1 Kor. 14:32-33).
"Zie, God is machtig, maar Hij veracht niets; machtig is de kracht van Zijn hart" (Job 36:5). De Heere is de (al)machtige God, maar Hij veracht de nietige mens niet, integendeel, Hij heeft de mens lief, ondanks al wat er aan loosheid is. Dat is de kracht van Zijn hart! Het leven is geen hopeloze zaak in verbinding met Hem. Hij is de God van de opstanding en het leven (vgl. Rom. 1:4).
Smetteloos
We lezen in Hebreeën 9, vers 14: "… hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen!" Wij zijn vrijgekocht "… met het kostbaar bloed van Christus, als van een smetteloos en onbevlekt Lam" (1 Petr. 1:19). Smetteloos is in het Grieks: zonder gebrek. Dat wijst terug op de offerdienst van het verbond. De Zoon van God is zonder zonde, zonder gebrek, smetteloos. Dit offer is een aangename geur voor de Heere.
Stemmeloos
"En het Schriftgedeelte dat hij las, was dit: Hij is als een schaap naar de slachting geleid en zoals een lam stemmeloos is bij de scheerder, zo doet Hij Zijn mond niet open" (Hand. 8:32).
Over de Knecht des Heeren zegt Jesaja: "Hij zal niet schreeuwen, Hij zal Zijn stem niet verheffen, Hij zal Zijn stem op straat niet laten horen" (42:2). De Heere Jezus ging Zijn weg in stilte, om het verlossingswerk te volbrengen. Hij ging als de ware Slaaf in gehoorzaamheid tot in de dood (Fil. 2:7-8).
Onesimus
De korte brief van Paulus aan Filemon gaat over de slaaf Onesimus (= nuttig). Hij is weggelopen bij zijn heer en ontmoet Paulus die gevangen zit in Rome. Daar gebeurt iets geweldigs: hij komt tot geloof. Paulus schrijft aan Filemon: "Hij was voorheen voor u van geen nut, maar nu is hij voor u en voor mij van veel nut. Ik heb hem teruggestuurd" (Flm. 1:11). 
Wat een prachtig beeld van wat er met ons als gelovigen is gebeurd. We doolden in deze wereld, weglopers van God, verstandeloos, ordeloos, in zinloosheid levend, soms ook zonder hoop, uiteindelijk krachteloos en in dit alles nutteloos. En hoe is ons leven veranderd! De Heere heeft ons een ultiem perspectief gegeven. Er is hoop en dankbaarheid, en daardoor het verlangen om nuttig te mogen zijn in Zijn dienst. Paulus zegt: “Ik heb hem teruggestuurd”, en zo is het ook bij ons: we zijn terug bij de Vader.
"En Hij heeft u, die voorheen vervreemd was en vijandig gezind, zoals bleek uit uw slechte daden, nu ook verzoend, in het lichaam van Zijn vlees, door de dood, om u heilig en smetteloos en onberispelijk voor Zich te plaatsen" (Kol. 1:21-22).
Bijbelmagazine