De volkeren, Israël en de gemeente - Deel 16 (slot) Het lichaam van Christus

De volkeren, Israël en de gemeente

Deel 16 (slot) Het lichaam van Christus

Dit artikel is de afronding van de artikelenserie over het onderwerp 'De volken, Israël en de gemeente'. We zijn terechtgekomen bij het lichaam van Christus. In dit laatste deel gaat het dus over "de gemeente, die Zijn lichaam is" (Efe.1:22b en 23a) of "Zijn lichaam, dat is de gemeente" (Kol. 1:24b).

Waar iedere gelovige van nu het wel over eens is
Over één ding zijn we het als gelovigen allemaal eens! Zouden we een lijst maken met alle Bijbelse benamingen die in de Bijbel aan groepen van gelovigen gegeven zijn, dan zullen daar bijvoorbeeld de volgende benamingen op staan: de schare die niemand tellen kan, Israël, het Israël van God, lichaam van Christus, de bruid van Christus, de honderdvierenveertigduizend, de discipelen, de vrouw van God, een reine maagd, de gemeente van de eerstgeborenen. Je kunt daar nog een niet-Bijbelse maar in reformatorische kringen wél gebruikte term aan toevoegen: 'de kerk der eeuwen'.
Stel dat je al deze omschrijvingen op een rij zet met aanvinkvakjes ervoor en dat je deze lijst vervolgens aan gelovigen geeft met de vraag de benamingen aan te vinken waarvan zij denken dat ze op hen van toepassing zijn. Dan zou iedere gelovige - ongeacht zijn of haar achtergrond - in íeder geval het vakje 'lichaam van Christus' invullen. Bijzonder!
In dit laatste artikel zijn we aangekomen bij het ontstaan van het lichaam van Christus.

Samenvatting
De lijn in deze artikelenserie begon bij de schepping van de eerste mensen, uit wie de mensheid is voortgekomen. We lazen in Handelingen 17:26a dat God "uit één bloed heel het menselijke geslacht" maakte "om op heel de aardbodem te wonen ...". Dat ene bloed is Adam. Over Eva lazen we in Genesis 3:20 zij de "moeder van alle levenden is". Mensen zijn dus niet een doorontwikkeld groepje primaten! Nee, want naar het beeld van God schiep Hij hem. En nadat ook Eva geschapen is, zegt de Bijbel: "... mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen". Zij kregen van de Heere de opdracht om te heersen over de schepping. Niet lang nadat ze geschapen waren, vielen Adam en Eva in zonde. En toen bleek al gauw dat Adam niet meer in staat was de aarde te onderwerpen en erover te heersen (vgl. Gen. 1:28). Het grootste deel van de Bijbel gaat over de redding van de mens door de Mens. Om het wat preciezer te zeggen: de opdracht waarin Adam faalde, zal door Christus wél uitgevoerd worden!

Van Adam tot Abram
Met Adam begon de periode van de zogenoemde tien 'oudvaders', eindigend met Noach. Vanwege de slechtheid van de toenmalige mensheid kwam er een oordeel in de vorm van een grote vloed. Door deze zondvloed werd de mensheid in aantal sterk teruggebracht. Er kwam een einde aan het tijdperk (Hebreeuws: olam; Grieks: aioon.) van Adam tot Noach. Degenen die dit oordeel overleefden, waren Noach, zijn zonen - Sem, Cham en Jafeth - en hun vrouwen (1 Petr. 3:20). Met hen begon een nieuwe tijdperk: de huidige boze eeuw.
Uit de drie zonen van Noach kwamen de volkeren voort. De drie geslachtslijnen worden beschreven in Genesis 10. Uit deze drie geslachtslijnen is het met name die van Sem die gevolgd wordt en ons bij Abraham brengt. Net als de geslachtslijn van Adam tot Noach bevat de geslachtslijn van Sem tot Abram tien namen. Beginnend met Sem en eindigend met Abram.

Van Abraham tot de geboorte van de Heere Jezus
Abram - ofwel: Abraham - is de eerste persoon in de Bijbel die 'Hebreeër' genoemd wordt. Uit hem zijn de Hebreeën (het Hebreeuwse volk) voortgekomen.
God sluit met Abraham een genadeverbond (Gen. 15), dat de basis is van de wet van Mozes (het 'oude verbond') en van het verbond van de Geest (het 'nieuwe verbond'). Slechts enkele generaties (Abraham, Izak en Jakob) brengen ons bij de twaalf zonen van Jakob, waaruit de twaalf - soms dertien - stammen zijn voorgekomen.
Jakob en zijn familie trokken naar Egypte. Toen Israël onder aanvoering van Mozes bevrijd werd uit de inmiddels slechte omstandigheden waarin het volk zich in Egypte bevond, sloot de HEERE Zijn trouwverbond met het volk (Exod. 19 e.v.). Na verloop van tijd kwam er een splitsing in het volk en werd duidelijk dat er sprake was van een noordelijk koninkrijk (het huis van Israël - het tienstammenrijk) en een zuidelijk koninkrijk (het huis van Juda - het tweestammenrijk). Er was origineel sprake van een trouw- of huwelijksverbond (zie Jer. 31:32b). Het aanbidden van andere goden naast de HEERE wordt daarom omschreven als overspel. Dit was vooral in het huis van Israël zo. De HEERE beëindigde Zijn huwelijksrelatie met het huis van Israël door het weg te zenden met een echtscheidingsbrief. De tien stammen werden verstrooid onder de volkeren. Er was vanaf dat moment - ruim 700 vóór Christus - alleen nog sprake van een huwelijksverbond tussen de HEERE en het huis van Juda (de stammen Juda, Benjamin en een gedeelte van de priesterstam Levi).
Uit Juda kwam de Heere Jezus voort, waarmee de heerschappij van de tweede Mens wordt ingeluid. Heel kort samengevat, kunnen we dus zeggen: we begonnen met Adam en eindigen met de tweede Adam.

Van het einde van het oude verbond naar het nieuwe
Toen de Heere Jezus stierf aan het kruis kwam er ook een einde aan het verbond tussen God en het huis van Juda (vgl. Rom. 7:1-4). Na Zijn opstanding en hemelvaart begon met de (eerste) uitstorting van de geest (Hand. 2), het nieuwe verbond, het verbond van de geest. De start daarvan zien we vooral in het boek Handelingen beschreven, alsook in de brieven die gedurende de Handelingenperiode geschreven zijn. Dit geldt zowel de zeven algemene brieven - die van Jakobus, Petrus, Johannes en Judas - als de zeven 'vroege brieven' van Paulus. In chronologische volgorde zijn dit de volgende veertien brieven: Jakobus, Judas, 1 en 2 Thessalonicenzen, Hebreeën, 1, 2 en 3 Johannes, 1 en 2 Korinthe, de Galatenbrief, de Romeinenbrief, 1 en 2 Petrus.
Alles wat er in de Handelingentijd gebeurde en werd geschreven, past geheel in de profetische lijn van Gods plan. Wanneer de HEERE in Jeremia 31:31-33 spreekt over het nieuwe verbond, zien we de vervulling daarvan in de Joden die tot geloof in Christus kwamen én in de heidenen, die in die periode tot geloof kwamen en deelnamen aan het 'avondmaal'. Zij die aan het avondmaal deelhadden, hadden deel aan het nieuwe verbond. En dat nieuwe verbond zou de HEERE sluiten met "het huis van Israël en met het huis van Juda" (vs. 31). Gedurende de Handelingentijd kwamen de gelovige Joden voort uit het huis van Juda - vandaar ook de benaming 'Jood'. De gelovige heidenen die deelnamen aan het nieuwe verbond, kwamen voort uit het huis van Israël. Zie de voorgaande artikelen van deze serie.

De situatie aan het einde van Handelingen
Tot slot van deze samenvatting moeten we - achteraf gezien - constateren dat de Handelingentijd niet is uitgelopen op de voortzetting van een nieuw verbond waaraan het complete volk van Israël - alle stammen - deel had. Slechts een relatief klein deel van het huis van Juda en van de nakomelingen van het huis van Israël, hadden er deel aan.
Al met al is het koninkrijk van God niet op aarde gevestigd omdat de Koning niet was teruggekeerd. Menselijk gesproken kwam dat door het ongeloof van het overgrote deel van Zijn volk. Zijn wederkomst is uitgesteld. Als je alleen de profetische lijn bekijkt, had de Heere Jezus in het jaar 70 kunnen terugkeren. Waarmee de gebeurtenissen in het boek Openbaring rechtstreeks aansloten op de gebeurtenissen beschreven in Handelingen.

De vervulling van de profetische lijn gedurende Handelingen liep bijna uit op de vervulling van Hosea 1, vers 11a: "Dan zullen de Judeeërs bijeengebracht worden samen met de Israëlieten. Zij zullen voor zich één Hoofd aanstellen ...". Het eerste deel van dit vers luidt letterlijk: "Dan zullen de zonen van Juda bijeengebracht worden samen met de zonen van Israël".

Het ontstaan van het lichaam van Christus
De meeste gelovigen denken dat het lichaam van Christus is begonnen in Handelingen 2 (de uitstorting van de heilige geest). Volgens een kleine groep begint het lichaam ten tijde van Handelingen 13 (het officiële begin van Paulus' bediening). En een nog kleiner groepje meent dat het lichaam van Christus begint met Handelingen 28:28. Daar behoor ik toe.
Eerst moeten we vaststellen dat met het begin van het lichaam van Christus in Handelingen 28:28-31 er géén gemeente ontstond met volstrekt nieuwe gelovigen. Het lichaam kwam zogezegd niet zomaar uit de lucht vallen, maar bestond uit de gelovigen die er op dat moment waren: gelovigen die gedurende de Handelingentijd tot geloof gekomen waren. Paulus was daar één van, maar we kunnen ook denken aan Timotheüs, Titus, de Filippenzen, de Efeziërs, etc. Kortom: allemaal mensen die in de Handelingenperiode tot geloof gekomen waren.
We zagen al dat Hosea 1:11 nét niet vervuld werd. Hoewel het profetische plan daarnaartoe werkte, is het er net niet van gekomen dat de zonen van Juda en de zonen van Israël één Hoofd over zich aanstelden.
Wat is er toen wél gebeurd? Het antwoord lezen we in Efeze 1:22 en 23: "En Hij heeft alle dingen aan Zijn voeten onderworpen en heeft Hem als Hoofd over alle dingen gegeven aan de gemeente, die Zijn lichaam is en de vervulling van Hem Die alles in allen vervult". Het eerste doet ons direct denken aan de oorspronkelijke opdracht aan Adam (lees hierover meer in Hebr. 2:7-9). Maar wat voor ons onderwerp belangrijk is, is dat hier staat dat God, de Vader, Zijn Zoon als Hoofd over alle dingen gegeven heeft aan de gemeente, die Zijn lichaam is. Niet de zonen van Juda en de zonen van Israël, maar God heeft Hem als Hoofd gegeven aan het lichaam van Christus.

De late brieven 
Tijdens de Handelingentijd zijn er dus veertien brieven geschreven: zeven algemene brieven en zeven 'vroege brieven' van Paulus. Vanzelfsprekend stemmen deze brieven overeen met de achtergrond waartegen ze geschreven zijn: de (profetische) Handelingenperiode. Profetisch, omdat diverse profetieën worden aangehaald en toegepast op die circa drieëndertig jaar durende periode. Dat begint al meteen met de toespraak van Petrus waarin hij verwijst naar Joël (Hand. 2:16-21). Tot Handelingen 28:28 zijn het vijf briefschrijvers - Jakobus, Petrus, Johannes, Judas en Paulus - die hierin een plaats hadden. Van deze vijf is er één die ná Handelingen 28:28 nog schrijft en dat is Paulus!
De brieven die hij vanaf dat moment schrijft, staan algemeen bekend als 'de zeven late brieven van Paulus'. In chronologische volgorde zijn dat de brieven aan de Efeziërs, de Kolossenzen, Filemon en de Filippenzen gedurende de tweejarige periode van huisarrest (Hand. 28:16 en 30). Met name in deze brieven kun je lezen hoe Paulus "het koninkrijk van God" predikte en "onderwijs over de Heere Jezus Christus" gaf (vs. 31). Na zijn vrijlating schreef hij de eerste brief aan Timotheüs en de brief aan Titus. Vervolgens is hij opnieuw gevangengenomen - ditmaal als een misdadiger - en schreef hij tot slot van zijn leven en zijn bediening de tweede Timotheüsbrief.

Wie vormden aanvankelijk het lichaam van Christus?
We lazen naar aanleiding van Hosea 1:11 over zonen van Juda en zonen van Israël. Het antwoord op de vraag van deze alinea ligt daar heel dicht bij. Het had immers die kant op kunnen vallen?
We nemen voor het juiste antwoord één van de drie late gemeentelijke brieven van Paulus: de Efezebrief.
Begin je met het lezen van deze brief dan valt op dat Paulus in eerste instantie schrijft over 'wij' en 'u. Efeze 1:3-12 is geschreven in de 'wij-vorm'. Daarmee bedoelt Paulus de gelovigen uit Juda / het Joodse volk. In vers 13 gaat Paulus dan over op "ook u". In Efeze 2:1 schrijft hij ook "ook u". Over wie daarmee bedoeld worden, lezen we in Efeze 2:11 en 12: "Bedenk daarom dat u die voorheen heidenen was in het vlees en die onbesnedenen genoemd werd door hen die genoemd worden besnijdenis in het vlees, die met de hand gebeurt, dat u in die tijd zonder Christus was, vervreemd van het burgerschap van Israël en vreemdelingen wat betreft de verbonden van de belofte. U had geen hoop en was zonder God in de wereld".
Paulus noemt hier "heidenen" en "onbesnedenen" als omschrijvingen van "u". En "besnijdenis in het vlees" als omschrijving van "wij". Lees je de kenmerken van de heidenen aan wie Paulus hier schreef, dan waren dat op dat moment degenen die waren "vervreemd van het burgerschap van Israël". Duidelijker dan dit kan Paulus niet zijn als hij hier schrijft over de heidenen die bedoeld werden: nakomelingen van het met de echtscheidingsbrief weggestuurde huis van Israël! Zie eerder in dit artikel onder het kopje Van Abraham tot de geboorte van de Heere Jezus.
Gelovigen uit Juda én uit Israël (vgl. Hos. 1:11) vormden als eersten het lichaam van Christus, zoals dat er sinds Handelingen 28 is.
Die twee werden één: "Want Hij is onze vrede , Die beiden één gemaakt heeft" (Efe. 2:14). In vers 15 staat dat "Hij die twee in Zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen", waarna we in vers 16 lezen: "... opdat Hij die beiden in één lichaam met God zou verzoenen ...".
Gelovigen uit Juda en uit Israël (door Joden omschreven als 'heidenen') waren in één lichaam verenigd. En dat ene lichaam vormt nu "één vlees" met Christus als Hoofd. Een groot geheimenis ... (Efe. 5:31b en 32).

Paulus en de heidenen
Al vanaf het begin dat we lezen over Saulus / Paulus is er het verband met zijn bediening voor heidenen. Zie de laatste alinea van het vorige artikel in AMEN 184 (Paulus de apostel van de heidenen). Híj was de apostel van de heidenen (Rom. 9:13; Hand. 9:15; 13:47 en 26:16-18). Paulus verwijst in Galaten 2:7-9 naar de apostelvergadering te Jeruzalem (Hand. 15): "Maar integendeel, zij zagen dat aan mij het evangelie onder de onbesnedenen toevertrouwd was, zoals aan Petrus dat onder de besnedenen. (Want Hij Die door Petrus werkte met het oog op het apostelschap onder de besnedenen, werkte ook door mij met het oog op de heidenen.) En toen Jakobus, Kefas en Johannes, die geacht werden steunpilaren te zijn, de mij gegeven genade erkenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van gemeenschap, opdat wíj naar de heidenen en zíj naar de besnedenen zouden gaan".
Drie van de vier briefschrijvers van de algemene brieven worden hier genoemd! En we kunnen de brief van Judas daar gerust aan toevoegen. Ook zijn brief was voor de besnedenen bedoeld.

Zowel tijdens als na de Handelingenperiode is Paulus de apostel van de heidenen geweest! Tijdens de Handelingentijd noemt Paulus zich een dienaar (Grieks: diakonos) van het nieuwe verbond (2 Kor.3:6; nogmaals: het nieuwe verbond is tussen de Heere enerzijds en het huis van Juda en het huis van Israël anderzijds). In Kolossenzen 1:25 noemt hij zich een dienaar (Grieks: diakonos) van "Zijn lichaam, dat is de gemeente". Hij blééf apostel van de heidenen, terwijl zijn bediening veranderde.

Dat hij in Handelingen 28:28 zegt dat vanaf dat moment "de zaligheid van God aan de heidenen (in de zin van alle mensen) gezonden is", is dus duidelijk iets anders dan alles wat er eerder over en door Paulus geschreven is met betrekking tot de heidenen! Zie zijn 'late brief' aan Timotheüs: "Daartoe ben ik aangesteld als prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), als een leraar van de heidenen in geloof en waarheid" (1 Tim. 2:7; vgl. 2 Tim. 1:11).

Duizenden lezers gingen u voor. Ondersteun AMEN. Word ook abonnee!

Nieuw in de Morgenroodreeks

De Morgenroodboekjes komen uit in de Morgenroodreeks: een serie Bijbelstudieboekjes die sinds 1960 wordt uitgegeven. De in deze reeks verschenen boekjes zijn handzaam en praktisch en helpen je verder om de Bijbel beter te leren kennen.

Bijbel en/of Wetenschap

De relatie tussen Bijbel en wetenschap is er één van water en vuur. Wie zegt dat hij gelooft dat God alles geschapen heeft en dat Adam en Eva echt bestaan hebben, wordt vanuit het 'andere kamp' wat meewarig aangekeken ... 'Gelóóf jij dat nog?'.
Dat geloof ook in de wetenschap een grote rol speelt, vergeet men voor het gemak maar even. Maar het is toch echt zo: eerst wordt bedacht hoe het zou kunnen zijn (theorie, aannames, uitgangspunten, geloof) en vervolgens worden daar de bewijzen bij gezocht en zegt men: zie je wel?!
Wanneer wetenschap ons dichter bij de waarheid brengt, is dat alleen maar goed. In de afgelopen zes eeuwen is er binnen de wetenschap echter een proces werkzaam waarbij de Bijbel geleidelijk buitenspel is gezet.

Dit boekje is geschreven met de rotsvaste overtuiging, dat de Bijbel het Woord van God is. Het is een geactualiseerde versie van het Morgenroodboekje Bijbel & Wetenschap (2013).

Ook als e-book verkrijgbaar!

Meer info & bestellen 'Bijbel en/of Wetenschap'

MOZES

Mozes heeft een belangrijke plaats in het plan van God. Zijn naam komt meer dan achthonderdvijftigmaal voor in de Bijbel. Er is niemand in de Bijbel tot wie de HEERE zo vaak en veel gesproken heeft. Zijn lange leven is verdeeld in drie perioden van veertig jaar. Aan het einde van zijn leven mocht hij zijn volk tot aan de grens van het beloofde land brengen.
Mozes wordt onder meer genoemd: de man Gods, Zijn dienaar, Zijn uitverkorene en profeet. God sprak "tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een man met zijn vriend spreekt" (Exod. 33:11a). En andersom noemde Mozes de HEERE: Mijn God!

Ook als e-book verkrijgbaar!

Meer info & bestellen 'MOZES'

De NAMEN in de Bijbel - 3e druk

In de Bijbel hebben namen een belangrijke betekenis. Vaak leren zij ons iets over het wezen en de aard van een persoon of een plaats. Bijbelse geschiedenissen krijgen meer 'kleur' wanneer we de betekenis kennen van de namen, die er in voorkomen.

Een 'saai' hoofdstuk als Genesis 5 gaat opeens leven. We begrijpen misschien iets meer van de grootte en het karakter van Abrahams geloof in Genesis 22, als we weten wat de betekenis is van Moria. De geschiedenis van de geboorte van Benjamin (Genesis 35) blijkt, wanneer we de betekenis van de namen in dit gedeelte onderzoeken, een grote profetische diepgang te hebben met betrekking tot de Heere Jezus Christus, Die ook in Bethlehem (= broodhuis) geboren werd ...

Zo zijn er vele voorbeelden te noemen, waarbij de betekenis der namen meer zicht geeft op de rijke inhoud van Bijbelse geschiedenissen. Met dit boek kunt u het zelf ontdekken.

Dit is inmiddels de derde druk van deze unieke uitgave!

  • Met een complete lijst met alle namen in het Oude en Nieuwe Testament; 
  • Voorzien van de Hebreeuwse en Griekse grondtekst (en de uitspraak daarvan);
  • De namen van God staan in de spelling van de Statenvertaling, de Herziene Statenvertaling, de NBG-’51-vertaling en de NBV;
  • Elke naam is voorzien van een betekenis, dan wel waarschijnlijke betekenis; 
  • Inclusief een complete lijst met alle schriftplaatsen waar de namen voorkomen, waar nodig uitgesplitst in verschillende personen, plaatsen, etc.;
  • Prachtige en stevige uitvoering;
  • Mooi om te hebben, maar ook heel mooi om weg te geven!

Meer info & bestellen 'De NAMEN in de Bijbel''