Om deze taak te kunnen uitvoeren, was het nodig dat Petrus vervuld zou worden met de heilige Geest! Hij moest evenals de anderen kracht ontvangen om te getuigen en zijn dienst te vervullen onder (de gelovigen uit) Israël.
Johannes 21:15-17
- “Toen zij dan de middagmaaltijd gebruikt hadden, zei Jezus tegen Simon Petrus: Simon, zoon van Jona, hebt u Mij meer lief dan dezen? Hij zei tegen Hem: Ja, Heere, U weet dat ik van U houd. Hij zei tegen hem: Weid Mijn lammeren. Hij zei opnieuw tegen hem, voor de tweede keer: Simon, zoon van Jona, hebt u Mij lief? Hij zei tegen Hem: Ja, Heere, U weet dat ik van U houd. Hij zei tegen hem: Hoed Mijn schapen. Hij zei voor de derde keer tegen hem: Simon, zoon van Jona, houdt u van Mij? Petrus werd bedroefd, omdat Hij voor de derde keer tegen hem zei: Houdt u van Mij? En hij zei tegen Hem: Heere, U weet alle dingen, U weet dat ik van U houd. Jezus zei tegen hem: Weid Mijn schapen."
Liefde
In dit Bijbelgedeelte wijst de Heere op de liefde die nodig is om vruchtbaar te kunnen zijn in de dienst aan God. De Bijbel zegt: "God is liefde" en Zijn liefde wil Hij uitwerken in de harten van gelovigen. Daarvoor gaf Hij Zijn Geest. Gods liefde is in onze harten uitgestort (vgl. Rom. 5:5) als bron van leven, kracht en dienst.
De Heere Jezus vraagt aan Petrus: "... hebt u Mij meer lief dan dezen?" Ongetwijfeld refereert de Heiland aan de uitspraken van Petrus zelf:
Mattheüs 26:30-35
- "En toen zij de lofzang gezongen hadden, vertrokken zij naar de Olijfberg. Toen zei Jezus tegen hen: U zult in deze nacht allen aanstoot aan Mij nemen, want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan en de schapen van de kudde zullen uiteengedreven worden. Maar nadat Ik opgewekt zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea. Maar Petrus antwoordde Hem en zei: Al zouden zij ook allen aanstoot aan U nemen, ik zal nooit aanstoot aan U nemen. Jezus zei tegen hem: Voorwaar, Ik zeg u dat u in deze nacht, voordat de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen. Petrus zei tegen Hem: Al moest ik ook met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen! Hetzelfde zeiden ook al de discipelen."
De Heer zegt van tevoren, dat zij allen (de discipelen) aanstoot aan Hem zouden nemen. Daarmee zouden de (profetische) woorden van Zacharia 13:7 in vervulling gaan: "Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder en tegen de Man Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE van de legermachten. Sla die Herder en de schapen zullen overal verspreid worden. Maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden."
David Baron schreef destijds: ‘De uitdrukking 'de hand keren/wenden tot een persoon' wordt gewoonlijk in verbinding gebracht met oordeel. Zoals bijvoorbeeld in Amos 1: "... en zal Ik Mijn hand keren tegen Ekron" (vs. 8; Statenvertaling) of in Psalm 81:15: "In korte tijd zou Ik hun vijanden onderworpen hebben en Mijn hand gekeerd hebben tegen hun tegenstanders". Toch ben ik het eens met Keil, Hitzig, Dr. Wright, en anderen, dat de uitdrukking hier gebruikt wordt in een positieve betekenis, namelijk, dat God Zijn hand zal wenden tot de kleinen om hen heil te schenken, hoewel dat heil wellicht gebracht wordt door middel van tuchtiging. In die zin komt het voor in Jesaja 1: "En Ik zal Mijn hand tegen u keren, en Ik zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren, en Ik zal al uw tin wegnemen" (vs. 25, Statenvertaling). Zo wordt het ook hier in Zacharia 13 gebruikt, net zoals in vers 8 en 9 wordt vermeld, dat er oordeel over Israël komt, doch dat een overblijfsel heil zal ontvangen. De speciale vorm van het Hebreeuwse woord tsoarim, vertaald met: 'de kleinen', komt nergens anders voor in de Hebreeuwse tekst. De ware betekenis kan omschreven worden als: 'zij, die klein blijken te zijn', 'zij, die zichzelf klein maken', de 'zwakken', 'nederigen' (David Baron, The visions and prophecies of Zechariah; blz. 480).
'De kleinen' zijn hier de discipelen en het heil zou daarin bestaan, dat de Heere Jezus hen, na Zijn volbrachte werk, zou voorgaan naar Galilea en vrede zou schenken. De Heere Jezus voorspelde hen, dat zij Hem eerst alleen zouden laten (vgl. Joh. 16:32) in Zijn eenzame strijd. De discipelen dachten daar toen nog anders over, vooral Petrus: "Al zouden zij ook allen aanstoot aan U nemen, ik zal nooit aanstoot aan U nemen" (Matt. 26:33). En daarop aansluitend: "Al moest ik ook met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen" (vs. 35). Nu, hoe dat naderhand gegaan is, weten we inmiddels. Uit dit alles blijkt overigens wel, dat Petrus vol was van de liefde voor de Heer! Hij was beslist van goede wil. Maar er is meer voor nodig om die liefde ook daadwerkelijk te kunnen betonen. Daarvoor is Gods Geest nodig.
Agapao en fileo
In de Griekse tekst van Johannes 21:15-23 valt onmiddellijk het gebruik van verschillende woorden op. In de Statenvertaling is daar nauwelijks aandacht aan geschonken. De NBG-'51-vertaling heeft de verschillen weergegeven door het woord 'waarlijk' in te voegen. De Herziene Statenvertaling maakt onderscheid door te vertalen met 'liefhebben' en 'houden van'.
Er worden hier twee werkwoorden gebruikt, die beide te vertalen zijn met 'liefhebben':
- Agapao - Dit woord voor 'liefhebben' duidt op een doelbewust liefhebben. Het is meer dan het uiten van warme gevoelens of genegenheid. Het gaat om een onvoorwaardelijke liefde, die niet eerst eist, maar zonder voorwaarden alles geeft. Het is een liefde, die voortkomt uit de wil om lief te hebben. Dit woord wordt onder meer gebruikt in teksten als: "God is liefde", en "... hebt uw vijanden lief" en
- Fileo - Dit woord heeft een wijdere strekking en omvat liefhebben als (natuurlijke) genegenheid. Dus: originele, spontane liefde, die meer aan de oppervlakte ligt; hoeft niet per se 'oppervlakkig' te zijn! Hoewel deze omschrijvingen niet volledig zijn, geven zij enig onderscheid aan. En dat onderscheid is er, want anders zou de Schrift geen verschillende woorden gebruiken.
Om de verschillen in Johannes 21 te laten zien, zetten we de Griekse woorden er even bij.
1e vraag: Simon, hebt u Mij meer lief dan dezen? (agapao)
antwoord: Ja, Heere, U weet, dat ik van U houd (fileo)
2e vraag: Simon, hebt u Mij lief?" (agapao)
antwoord: Ja, Heere, U weet dat ik van U houd (fileo)
3e vraag: Simon, houdt u van Mij? (fileo)
antwoord: Heere, U weet alle dingen, U weet dat ik van U houd (fileo)
Bij de eerste twee vragen en antwoorden zit Petrus kennelijk nog op een andere golflengte. De ware ommekeer in zijn leven heeft nog niet plaatsgevonden. Bij de derde keer gebruikt de Heer hetzelfde woord als Petrus. Je zou kunnen zeggen, dat Hij Zich begeeft op het niveau waarop de apostel zich op dat moment bevindt.
Geest
Merk op wat de Heere Jezus aansluitend zegt in Johannes 21:18 en 19: "Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Toen u jonger was, omgordde u uzelf en liep u waar u wilde; maar als u oud geworden bent, zult u uw handen uitstrekken, en een ander zal u omgorden en u brengen waar u niet heen wilt. En dit zei Hij om aan te duiden met wat voor dood hij God verheerlijken zou."
De Heere zet het leven van de jonge(re) Petrus tegenover het leven van de oude(re) Petrus! Als jongeling ging hij waar hij wilde. Later zou hij gaan waar God wilde. En om die weg te kunnen gaan, was het nodig dat er een ommekeer zou komen in zijn leven. Die ommekeer is ook gekomen en wel door de uitstorting van de heilige Geest (Hand. 2).
Door de kracht en de leiding van Gods Geest zou Petrus later de leider van de twaalven worden. Hij zou, samen met de anderen, een krachtig getuigenis afleggen te midden van zijn Joodse volksgenoten.
Het boek Handelingen laat ons zien hoe God krachtig in hen en door hen werkte, en hen leidde in de waarheid. We zien hoe Petrus de wonderlijke gebeurtenis op het Pinksterfeest verklaart aan de omstanders en hen met grote volmacht het evangelie verkondigt. We zien hoe hij een machtig wonder verricht bij de tempel door een verlamde te doen lopen, en aansluitend een indrukwekkende rede te houden (Hand. 3). In hoofdstuk 4 blijkt hij op geen enkele wijze nog bevreesd te zijn om 'voor de Heere Jezus uit te komen', zelfs niet ten overstaan van de Joodse Raad. Zie hoe hij optreedt tegen Ananias en Saffira nadat zij de Geest van de Heere verzocht hebben (Hand. 5). Hij is, samen met de andere apostelen, zelfs blij "dat zij waardig geacht waren, omwille van Zijn Naam smaadheid te lijden" (Hand. 5:41).
Waar Petrus eertijds 'groot' was in zichzelf, daar was hij nu 'klein' voor God. Nu hij door Gods Geest is aangeraakt, komt zijn leven (en werk) in het juiste perspectief te staan: zwak in zichzelf, krachtig in de Heere. En, overvloedig in de liefde ... van de Heer!
Wij vinden hier een geestelijke les voor onszelf. Immers, wij zitten zo ongeveer net zo in elkaar als Petrus. Wij menen soms zoveel te kunnen in eigen kracht, we vertrouwen daar dikwijls op. Toch is het Bijbels getuigenis anders. De woorden van een andere dienstknecht van God, de apostel Paulus, spreken in dit verband boekdelen: "Daarom heb ik een behagen in zwakheden: in smadelijke behandelingen, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil. Want wanneer ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 Kor. 12:10).
Paulus' naam betekent: klein. Binnen het Jodendom was hij een groot man (vgl. Gal. 1:14 en Fil. 3), maar hij ging zijn eigen weg als hartstochtelijk ijveraar voor zijn voorvaderlijke overleveringen. Na zijn ontmoeting met de Heere Jezus veranderde alles. Datgene wat hem - tot dan toe - winst was, heeft hij schade geacht om Christus' wil. Hij achtte zich de grootste der zondaren en de geringste van alle heiligen. In die hoedanigheid was hij bruikbaar voor God. Iemand heeft eens gezegd: 'Je kunt wel te groot zijn om door God gebruikt te worden, maar nooit te klein!' Net als Petrus, Paulus, en zovele anderen moeten wij leren niets te zijn van onszelf, maar alles te bezitten in Christus. Daar waar Hij ons leven vult en leidt, kan onze dienst aan Hem vruchtbaar zijn. (Foto: Beeld van Petrus in de St. Johannesbasiliek Laterano - Rome)
Liefde
Het feit dat de Heere Jezus Zich zo om Petrus bekommert, bepaalt ons bij Zijn liefde voor hem. Gods liefde is altijd de bron van Zijn handelen, ook jegens de gelovigen. Zij worden in de Bijbel 'geliefden' genoemd. Petrus gebruikt dit woord zes keer in zijn beide brieven. Zijn lezers zijn opgenomen in de liefde van God. God heeft ons lief, niet omdat wij altijd zo aardig zijn, maar omdat "Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde" (Efe. 1:6). Omdat wij Christus toebehoren, zijn wij geliefden van God.
En Zijn liefde voor ons is onveranderlijk! Denk U dat eens in: elke dag heeft God u en uw medebroeders en -zusters even lief. Daarom zegt Paulus ook tegen geliefde kinderen: wandelt in de liefde ...! In het 'gezin van God' is de allerbelangrijkste levensregel: de liefde.
Dat is dé levensregel voor elke gelovige apart en voor de gelovigen samen. Liefde tot God en ook tot de naasten. Onze 'naasten' zijn volgens de Bijbel in de eerste plaats onze volksgenoten, leden van hetzelfde volk of lichaam (vgl. Efe. 4:25).
Natuurlijk, net zoals in elk gezin vallen er in de gemeente ook wel eens woorden, lopen wij elkaar wel eens in de weg, maken we fouten, doen we anderen (ongewild) pijn. Dat zijn dingen die kunnen en moeten, als het goed is, worden uitgepraat zodat de liefde zegeviert. En waar liefde woont, gebiedt de Heer Zijn zegen!
De tegenstander zal altijd proberen een wig te drijven tussen gelovigen. Hij wil hen tegen elkaar op zetten, hen tegen elkaar uitspelen, en vooral van Christus afhouden. Wij moeten daar waakzaam voor zijn!
De Bijbel zegt: "Zo kennen wij vanaf nu niemand naar het vlees" (2 Kor. 5:16). In de praktijk echter zien we zo vaak op mensen, voelen wij ons zo gauw op de teentjes getrapt, gaat het (soms vroom ingekleed) dikwijls om ons eigen 'ik'. Wij voelen ons soms zo tekort gedaan: 'Wat ze mij allemaal hebben aangedaan ...!'. En: 'Ik kan hier niet mee uit de voeten ... ik ben het daar niet mee eens ... ik zie dat heel anders ... ik vind dat niet leuk ...'. Ik, ik, ik!
Vaak zijn wij het woord van de Heiland vergeten, Die tot Zijn discipelen sprak bij de voetwassing in Johannes 13: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Een slaaf is niet meer dan zijn heer, en een gezant niet meer dan hij die hem gezonden heeft. Als u deze dingen weet, zalig bent u als u ze doet" (vs. 16 en 17). Inderdaad, wij zijn veel gauwer geneigd iemand de oren te wassen dan zijn voeten, want daarvoor moeten wij bukken ...!
Toch is dát het geheim en het kenmerk van gezond geestelijk leven, namelijk, dat de gezindheid van Christus in ons is, en dat is: liefde, overgave, dienstbaarheid, niets eisen ... alles geven, het goede (voor de Gemeente en anderen) op het oog hebben, niet zien op onszelf of op anderen, maar op de Heere Jezus alleen. Wat heeft het de Heiland niet gekost om U en mij te redden van het oordeel. Hoe werd Hij niet tegengewerkt, onheus bejegend, belasterd, besmeurd, gehoond! Daarom: "Want let toch scherp op Hem Die zo'n tegenspraak van de zondaars tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet verzwakt en bezwijkt in uw zielen" (Hebr. 12:3).
Als wij op Hem zien en het van Hem verwachten, kunnen wij elkaar ook aanvaarden als 'geliefde kinderen van God'. Dan wandelen wij naar de 'eis der liefde', en zullen wij van God genade ontvangen, telkens weer. Dan kennen wij elkaar niet naar het vlees, maar naar de Geest. Dan vergeven wij elkander van harte, dan bemoedigen wij elkaar.
In Galaten 6:2 zegt Paulus: "Draag elkaars lasten, en vervul zo de wet van Christus". De wet van Christus is: de liefde. Als wij die wet vervullen, zijn wij 'navolgers van God'. Dan wordt de Gemeente een werkplaats van de Heilige Geest. Dan kan er vrucht komen voor God. Dan wordt ons leven een getuigenis, ook voor hen die (nog) buiten staan.
Bijbelmagazine