Ook hebben we 1 Korinthe 11 en 12 aangehaald en gezien dat degenen tot wie Paulus zich daar met betrekking tot het avondmaal - dat alles met het nieuwe verbond te maken heeft - richt, heidenen zijn. Het avondmaal werd in principe gevierd door degenen met wie God een verbond had. Voor zover dit het nieuwe verbond betreft, zijn dit daarom alleen gelovigen uit het huis van Juda en het huis van Israël (Jer. 31:31). Daarbij gaat het in 1 Korinthe 11 en 12 specifiek over gelovigen uit het huis van Israël. Zoals we al gezien hebben, werden deze mensen door de besnedenen (gedurende de Handelingentijd) gezien als onbenedenen en heidenen.
Opdat de heidenen uit mijn mond het woord van het evangelie zouden horen
In grote lijnen zien we dat in de Handelingentijd - die vanzelfsprekend beschreven wordt in het boek Handelingen - het getuigenis onder de besnedenen langzaam maar zeker verschuift naar de heidenen. Paulus' apostelschap is daar natuurlijk het beste voorbeeld van; we zullen het nog over zijn apostelschap hebben. Maar ook Petrus heeft daar een taak in. Je kunt zeggen dat God hem als eerste en belangrijkste getuige gebruikte voor het getuigenis onder het Joodse volk (Hand.2 e.v.). Later zien we dat hij het getuigenis ook opent voor de heidenen; dat zijn de onbesnedenen. Denk aan een tekst als: "Mannenbroeders, u weet dat God lang geleden onder ons mij uitgekozen heeft, zodat de heidenen uit mijn mond het woord van het evangelie zouden horen, en zouden geloven" (Hand. 15:7b). We moeten ons afvragen wanneer dit "lang geleden" was. Letterlijk staat er: vanaf de oude dagen. In de N.B.G.-'51-vertaling wordt dit weergegeven met: "van de aanvang af". Terwijl de Engelse King James Version zegt: "a good while ago".
In Mattheüs 15:19 zegt de Heere Jezus tegen Petrus: "En Ik zal u de sleutels van het koninkrijk der hemelen geven; en wat u bindt op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en wat u ontbindt op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn". Je zou kunnen zeggen dat Petrus het heil van het koninkrijk der hemelen mocht ontsluiten voor het Joodse volk (de besneden) en de heidenen (de onbesnedenen). Toch is het de vraag of de Heere Jezus dit echt bedoelde en - vervolgens - of Petrus in Handelingen 15 hiernaar verwees met de woorden "lang geleden" en dat "de heidenen uit mijn mond het woord van het evangelie zouden horen".
Het ligt meer voor de hand dat Petrus verwijst naar de geschiedenis van Cornelius in Handelingen 10. Hier zien we het enige voorbeeld in het Nieuwe Testament waarin Petrus voor het eerst het evangelie verkondigde aan de heidenen. Deze geschiedenis speelde zich rond dertien jaar vóór de apostelvergadering in Jeruzalem (Hand. 15) af.
Het heil ook beschikbaar voor heidenen
In Handelingen 10 wordt beschreven hoe de Heere Zelf aan Petrus bekendmaakte dat de boodschap die vanaf Handelingen 2 werd verkondigd ook voor heidenen bestemd was. Dit gebeurde inderdaad via Petrus. Hij was op dat moment in Joppe, dat vroeger 'Jafo' genoemd werd. Joppe lag aan de Middellandse Zee in het gebied van Judea en Samaria (vgl. Hand. 1:8), en wel in het noordwesten van Judea, bijna op de grens tussen deze twee gebieden. Hij was daar te gast bij "een zekere Simon, een leerlooier, die zijn huis bij de zee" had (Hand. 10:5 en 6). Daar bevond Petrus zich op zeker moment op het dak van het huis. En daar raakte hij in geestvervoering en zag hij in een visioen vanuit de hemel een laken, dat neergelaten werd met "al de viervoetige dieren van de aarde (...) de wilde en de kruipende dieren en de vogels in de lucht" (Hand. 10:12).
Hij krijgt de opdracht: "Sta op, Petrus, slacht en eet!" (vs. 13b). Maar Petrus wil dat niet, omdat hij nog nooit iets onreins gegeten heeft, waarna er tegen hem gezegd wordt: "Wat God gereinigd heeft, mag u niet voor onheilig houden!" (vs.14 en 15). Dit gebeurt tot driemaal toe.
Cornelius
Ondertussen speelt zich ook het één en ander af bij Cornelius, die ook aan de kust van de Middellandse Zee woonde, maar dan wat noordelijker in Caesarea in Samaria (vgl. opnieuw Hand. 1:8). Cornelius was een centurio (hoofdman over honderd) van de Italiaanse garde. Hij was "een vroom man, die met heel zijn huis God vreesde, veel liefdegaven aan het volk gaf en voortdurend tot God bad" (Hand. 10:2). In een visioen wordt hij aangesproken door een engel, die tegen hem zegt: "Uw gebeden en uw liefdegaven zijn als gedachtenis opgestegen naar God" (vs. 4). We lezen later in vers 45 dat hij een heiden was, maar wat ons hier al heel duidelijk wordt, is dat hij een gelovige heiden was! Hij werd dan ook niet tot geloof gebracht door Petrus, want hij geloofde al.
Wat gebeurde er dan wel? In de eerste plaats zien we dat hun wegen - die van Cornelius en die van Petrus - elkaar kruisen. In vers 5-8 lezen we: "Stuur nu mannen naar Joppe en ontbied Simon, die ook Petrus genoemd wordt. Deze is te gast bij een zekere Simon, een leerlooier, die zijn huis bij de zee heeft. Hij zal u zeggen wat u moet doen. En toen de engel die tot Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisslaven, en een vrome soldaat uit hen die steeds bij hem waren; en toen hij hun alles verteld had, stuurde hij hen naar Joppe".
Tegen Petrus zei de Geest: "Zie, drie mannen zoeken u; sta daarom op, ga naar beneden en reis met hen mee. Twijfel niet, want Ik heb hen gestuurd. En Petrus ging naar beneden, naar de mannen die door Cornelius naar hem toegestuurd waren, en zei: Zie, ik ben het die u zoekt. Wat is de reden waarom u hier bent? En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, die God vreest en van wie heel het volk van de Joden een goed getuigenis geeft, is door een aanwijzing van God aangespoord door een heilige engel om u naar zijn huis te ontbieden om van u woorden van zaligheid te horen" (vs. 19b-22).
Samen met enkele broeders uit Joppe vertrekt Petrus naar Caesarea, alwaar ze hartelijk ontvangen worden door Cornelius en zijn familie en vrienden.
Iemand van een andere stam
Na hun ontmoeting zegt Petrus tegen Cornelius: "U weet dat het een Joodse man niet toegestaan is om met iemand van een ander volk om te gaan of bij hem binnen te gaan; maar God heeft mij laten zien dat ik geen mens onheilig of onrein mag noemen" (vs. 28).
Met "een Joodse man" bedoelt Petrus zichzelf; met "iemand van een ander volk" bedoelt hij Cornelius. De N.B.G.-'51-vertaling spreekt hier over "een niet-Jood" en de Statenvertaling over "een vreemde". Het zijn vrij uiteenlopende vertalingen: "iemand van een ander volk", "een niet-Jood", "een vreemde". Het zijn drie omschrijvingen van wat er oorspronkelijk in de grondtekst staat. "Iemand van een ander volk" is de vertaling van het Griekse allofulos, dat alleen hier in het Nieuwe Testament voorkomt (in de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuagint, komt het wel vaak voor en dan is het - vreemd genoeg - meestal de vertaling van het woord 'Filistijnen'). Dit woord allofulos is opgebouwd uit allos (anders van dezelfde soort) en fule (stam). Dus wat zegt Petrus letterlijk? 'Het is een Joodse man niet toegestaan zich te verbinden met of te gaan naar een andere stam'. Petrus heeft het hier over 'een andere stam'. Hiermee kunnen niet de stammen Juda en Benjamin bedoeld zijn, want dat waren in die fase van de geschiedenis Joden / Joodse mannen. Toch noemt Petrus hier het woord stam, waardoor we in het geval van Cornelius toch wel sterk mogen denken aan een nakomeling uit één van de tien stammen van Israël.
Petrus begreep inmiddels de betekenis van het visioen van het laken met (onreine) dieren: "Ik zie nu in waarheid in dat God niet iemand om de persoon aanneemt; maar in ieder volk is degene die Hem vreest en gerechtigheid doet, Hem welgevallig. Dit is het woord dat Hij gezonden heeft tot de Israëlieten, waardoor Hij vrede verkondigt door Jezus Christus; Deze is de Heere van allen" (vs. 34-36).
Op dezelfde wijze als wij
De gedachte dat we met Cornelius eigenlijk te maken hebben met een Israëliet, wordt nog versterkt door wat er verder beschreven wordt. Petrus verkondigde aan de aanwezigen in het huis van Cornelius het evangelie (vs. 37-43).
En terwijl hij nog aan het woord is, gebeurt het wonder: heilige geest viel "op allen die het Woord hoorden. En de gelovigen die van de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus waren meegekomen, waren buiten zichzelf dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen uitgestort werd, want zij hoorden hen spreken in vreemde talen en God grootmaken" (vs. 44-46).
Het boek Handelingen beschrijft zeven momenten waarop God van Zijn heilige geest uitstort. Dit gebeurt op enkelingen, maar ook op groepen van gelovigen. In artikel 13 van deze serie (AMEN 183) hebben we deze zeven keren al op een rijtje gezet. In de geschiedenis van Cornelius wordt voor de vijfde keer in Handelingen zo'n uitstorting beschreven.
Al deze uitstortingen gebeuren in het kader van het nieuwe verbond, dat immers het verbond van de geest is. Dit wordt bevestigd door de reactie van Petrus op deze vijfde uitstorting van heilige geest: "Kan iemand soms het water weren, zodat deze mensen, die evenals wij de heilige geest ontvangen hebben, niet gedoopt zouden worden? En hij beval dat zij gedoopt zouden worden in de Naam van de Heere" (vs. 47 en 48a). Duidelijk toch? Petrus zegt hier dat Cornelius en de zijnen "evenals wij de heilige geest" ontvangen hebben; ofwel: in het kader van het (nieuwe) verbond!
Petrus moet zich na deze indrukwekkende gebeurtenis verantwoorden tegenover de apostelen en de broeders in Judea. In Handelingen 11:2 en 3 lezen we dat zij "die van de besnijdenis waren, hem" bestreden) en zeiden: U bent binnengegaan bij mannen die onbesneden zijn, en u hebt met hen gegeten".
Hier hebben we de tweede term waarmee in deze geschiedenis Cornelius en de zijnen worden omschreven door de besnedenen. Deze besnedenen zijn besneden gelovigen; ofwel gelovigen uit het huis van Juda, gelovige Joden. De eerste term is "heidenen" (Hand. 10:45); de tweede is "zij die onbesneden zijn" (Hand. 11:3). De Statenvertaling geeft dit laatste letterlijker weer: "... mannen, die de voorhuid hebben ...".
Als Petrus uitgesproken is, zijn ook de gelovigen uit de Joden overtuigd: "En toen zij dit hoorden, waren zij gerustgesteld, en zij verheerlijkten God en zeiden: Zo heeft God dus ook aan de heidenen de bekering gegeven die tot het leven leidt (Hand. 11:18).
Heidenen in de Handelingentijd
Zo is de geschiedenis waarin Petrus opdracht krijgt om naar de heiden - en onbesneden - Cornelius te gaan een duidelijk voorbeeld van de verschuiving van het getuigenis naar de heidenen.
Tijdens de apostelvergadering in Jeruzalem verwijst Petrus dus nog eens terug naar die bijzondere gebeurtenissen in Joppe en Caesarea (Hand. 15:7-11). In deze verzen spreekt hij nogmaals uit dat God geen onderscheid maakt en dat "wij geloven (...) zalig te worden als ook zij".
Hierna mogen Paulus en Barnabas getuigenis afleggen: "En heel de menigte zweeg, en zij hoorden Barnabas en Paulus vertellen wat voor grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had" (vs. 12).
In het plan van God, zoals Hij dat ten uitvoer bracht gedurende de Handelingentijd, zien we dat Paulus uiteindelijk een belangrijke (zo niet de belangrijkste) plaats krijgt in het verschuiven van het heil naar de heidenen. En daarbij is het belangrijk om te beseffen dat de verkondiging aan de heidenen, dus gericht is op niet-Joden - zij werden ook wel: 'onbesnedenen' of zelfs 'voorhuid' genoemd. Kijk je naar de mensheid gedurende de Handelingentijd, dan waren er in grote lijnen Joden en niet-Joden. Deze niet-Joden werden 'heidenen' genoemd en konden voortkomen uit het huis van Israël of uit alle overige mensen. We moeten dus niet in de val trappen om te denken dat tijdens de Handelingenperiode met de 'heidenen' alleen maar 'alle overige mensen' buiten de twaalf stammen bedoeld worden.
Integendeel! Het ligt veel meer voor de hand dat wanneer er in de Handelingentijd sprake is van heidenen zij juist voortkwamen uit de 'verloren' tien stammen.
Paulus, de apostel van de heidenen
Paulus werd tijdens de Handelingenperiode door God geroepen, Die al meteen na die roeping over Paulus zei: "... deze is voor Mij een uitverkoren instrument om Mijn Naam te brengen naar de heidenen en de koningen en de Israëlieten" (Hand. 9:15). In Handelingen 26:16-18 staat dat de Heere al op de weg naar Damascus tot Paulus sprak: "Maar richt u op en sta op uw voeten, want hiertoe ben Ik aan u verschenen: om u aan te stellen als dienaar en getuige zowel van de dingen die u gezien hebt als van die waarin Ik nog aan u verschijnen zal; en Ik zal u verlossen van dit volk en van de heidenen, naar wie Ik u nu zend, om hun ogen te openen en hen te bekeren van de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God, opdat zij vergeving van de zonden ontvangen en een erfdeel onder de geheiligden door het geloof in Mij". "De heidenen, naar wie Ik u nu zend", staat er.
In Romeinen 11:13 en 14 zegt Paulus zelf: "Want tegen u, de heidenen, zeg ik: Voor zover ik de apostel van de heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk, om daardoor zo mogelijk mijn verwanten wat betreft het vlees tot jaloersheid te verwekken en enigen uit hen te behouden". De Romeinenbrief is de laatste brief die hij tijdens de Handelingentijd schreef. In de woorden die de Heere Jezus aan het begin van de Handelingenopdracht uitsprak, dat de gelovigen van toen, getuigen zouden worden in Jeruzalem, in Judea en Samaria en tot het uiterste van de aarde, had ook Paulus een plaats! Hij begon in Handelingen 13 officieel aan dit apostelschap: "Zo immers heeft de Heere ons geboden: Ik heb u tot een licht voor de heidenen gesteld, opdat u tot zaligheid zou zijn tot aan het uiterste van de aarde" (Hand. 13:47). In het kader van Handelingen gold dat gelovigen uit Jeruzalem, en uit Judea en Samaria en uit de - door Paulus bezochte - gebieden van het uiterste van de aarde, deel kregen aan het nieuwe verbond. Als apostel van de heidenen noemde Paulus zich tijdens de Handelingenperiode daarom ook een dienaar van het nieuwe verbond (2 Kor. 3:6).
In het volgende artikel gaan we verder in op hoe Paulus' apostelschap onder de heidenen zich verder ontwikkeld heeft.
Bijbelmagazine