Een gebed heeft betrekking op de situatie waarin je je bevindt en hetgeen vóór je ligt. Wij bevinden ons ook allemaal in een bepaalde situatie en hebben ons eigen verhaal en we denken aan de toekomst. Hoe moet het verder? En we denken aan de weg die Heere met ons gaat en ook aan Zijn grootheid, goedertierenheid, barmhartigheid, enz. We mogen de Heere kennen als een God van nabij, Die onze weg leidt en met ons meegaat.
De dood nabij
Het laatste vers is een abrupt einde van deze psalm: "Doe aan mij een teken ten goede; zodat wie mij haten het zien en beschaamd worden, wanneer Ú, HEERE, mij geholpen en getroost hebt" (Ps. 86:17). Dit gebed zou je ook één op één op de Heere Jezus kunnen toepassen. Het laatste vers heeft direct te maken met de dood en opstanding van de Heere Jezus Christus. Die lijn van sterven en gered worden uit het graf komt in deze psalm naar voren. "… U hebt mijn ziel aan het diepst van het graf ontrukt" (Ps. 86:13b). Bij de situatie van waaruit David dit gebeden heeft, dacht hij dat hij op sterven na dood was. Hij is niet echt dood geweest, maar wel nabij de dood.
In wat David bidt, herkennen we de Geest van Christus. Petrus schreef over de profeten, van wie David er ook een was: "Zij onderzochten op welke en wat voor tijd de Geest van Christus, Die in hen was, doelde, toen Hij tevoren getuigde van het lijden dat op Christus komen zou, en ook van de heerlijkheid daarna" (1 Pet. 1:11).
Benauwdheid
David bidt in de dag van zijn benauwdheid (vs. 7). De dag van benauwdheid komt vaker voor in de Bijbel. Bij benauwdheid gaat het om het gevoel alsof er banden om je heen zitten, die zo strak zijn dat je niet meer kunt ademen. Jona bidt vanuit de vis: "Ik riep uit mijn benauwdheid tot de HEERE en Hij antwoordde mij. Uit de schoot van het graf riep ik om hulp, U hoorde mijn stem" (Jona 2:2).
Er wordt in de Bijbel ook gesproken over de benauwdheid voor het volk van Israël. Er komt nog een grote benauwdheid voor Israël. Jeremia spreekt over Jakobs benauwdheid (Jer. 30:7). Het is een aanduiding voor de grote verdrukking waarin het volk terecht zal komen (Matt. 24:21).
Koning David, de man naar Gods hart, heeft niet alleen met het oog op zichzelf gebeden. Wij kunnen achteraf zeggen dat hij met het oog op de Heere Jezus Christus heeft gebeden. Maar hij heeft ook met het oog op zijn volk gebeden, dat nog eenmaal in een verdrukking zal komen, zoals er nog nooit geweest is. Het volk is al vele malen verdrukt en je denkt: is dat niet erg genoeg geweest? Maar deze grote verdrukking ontstaat door het aanbidden van de tegenstander van God, zoals dat in de toekomst plaats zal vinden.
Een teken
In het Nieuwe Testament lezen we over de tempelreiniging (Joh. 2:13-21). De Joden begrepen niet dat de Heere het recht had om het huis van Zijn Vader schoon te maken. "Toen antwoordden de Joden en zeiden tegen Hem: Welk teken laat U ons zien dat U het recht hebt deze dingen te doen?" (Joh. 2:18). In het laatste vers van Psalm 86 wordt door David om een teken gevraagd: “Doe aan mij een teken ten goede”. Bij de Heere Jezus is het teken dat Hij zou sterven en na drie dagen zou herrijzen. Al vroeg in Zijn bediening had Hij hierop gewezen (Mark. 8:31). "Jezus antwoordde en zei tegen hen: Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem laten herrijzen" (Joh. 2:19). Het gaat niet om de letterlijke tempel van steen, maar om het lichaam van de Heere Jezus Christus. Van alle tekenen die de Heere gedaan had, is de dood en opstanding het belangrijkste.
De religieuze Joden vragen, net als David, doe aan ons een teken: "Toen antwoordden sommigen van de schriftgeleerden en Farizeeën: Meester, wij zouden van U een teken willen zien" (Matt. 12:38). De Heere wijst ze terecht: "Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Een verdorven en overspelig geslacht verlangt een teken, maar het zal geen teken gegeven worden dan het teken van Jona, de profeet. Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de grote vis was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde zijn" (Matt. 12:39-40). Dit is het teken van dood en opstanding.
David kent de HEERE
David legt de vraag bij de Heere God neer: Doe aan mij een teken. David vraagt
niet om te verzoeken, hij wist Wie God was: "U, Heere, bent immers goed, mild om te vergeven en rijk aan goedertierenheid voor allen die U aanroepen" (Ps. 86:5). "In de dag van mijn benauwdheid roep ik U aan, want U verhoort mij" (Ps. 86:7). Wanneer we bidden in overeenstemming met de kennis van de Schrift, dan mag je weten dat de Heere verhoort. "Want U bent groot en doet wonderen, U bent God, U alleen" (Ps. 86:10). Er is maar één God. Paulus zegt: "Want al zijn er ook die goden genoemd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde (zoals er vele goden en vele heren zijn), toch is er voor ons maar één God: de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem, en één Heere: Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem" (1 Kor. 8:5-6). God, de Vader, is de Bron van ons leven en alle dingen, en de Bron van alle zegeningen die we ontvangen hebben in Christus. "Onder de goden is niemand U gelijk, Heere; werken als de Uwe zijn er niet" (Ps. 86:8).
Er is maar één God
Er staat op meerdere plekken dat God de enige is:
- "Ik, Ik ben de HEERE, buiten Mij is er geen Heiland" (Jes. 43:11).
- "Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël, zijn Verlosser, de HEERE van de legermachten: Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste, en buiten Mij is er geen God" (Jes. 44:6).
- "Ik ben de HEERE, en niemand anders, buiten Mij is er geen God. Ik zal u omgorden, hoewel u Mij niet kende, opdat men zal weten, vanwaar de zon opkomt tot waar zij ondergaat, dat er buiten Mij niets is. Ik ben de HEERE, en niemand anders" (Jes. 45:5-6).
- "Maak bekend en breng naar voren, ja, beraadslaag samen: Wie heeft dit van oudsher doen horen? Wie heeft dat van toen af bekendgemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE? Buiten Mij is er geen andere God, een rechtvaardig God, een Heiland; er is niemand behalve Ik. Wend u tot Mij, word behouden, alle einden der aarde, want Ik ben God en niemand anders" (Jes. 45:21-22).
God is de enige en tot Hem moeten we ons wenden. David was daar ook van overtuigd. Wanneer je de Heere leert kennen, kom je tot de overtuiging: er is maar één God.
Uw weg
David vraagt: "Leer mij, HEERE, Uw weg, ik zal in Uw waarheid wandelen …" (Ps. 86:11a) en getuigt daarna: "Maar U, Heere, bent een barmhartig en genadig God, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw" (Ps. 86:15).
Toen het volk Israël uit Egypte geleid was en Mozes op de berg de twee stenen tafelen van God kreeg, had het volk een gouden kalf gemaakt en gezegd: "Dit zijn uw goden, Israël, die u uit het land Egypte geleid hebben" (Exod. 32:4). Terwijl God Zelf zegt: buiten mij is er geen God, zegt het volk tegen een beeld, dit is uw god. Hoe is het mogelijk. Mozes wordt boos en gooit de twee stenen tafelen kapot. Hij gaat opnieuw de berg op en krijgt een tweede set. Hierin zien we al een beeld van het oude en het nieuwe verbond. De eerste set werd verbrijzeld, de tweede set was voor een langere tijd. Mozes spreekt op de berg met de Heere God en "Toen zei Mozes tegen de HEERE: Zie, U zegt tegen mij: Laat dit volk verder trekken. U echter, U hebt mij niet laten weten wie U met mij meezendt, terwijl U Zelf gezegd hebt: Ik ken u bij uw naam, en ook: U hebt genade gevonden in Mijn ogen. Nu dan, als ik dan genade heb gevonden in Uw ogen, maak mij toch Uw weg bekend" (Exod. 33:12-13a). Net als David vraagt Mozes: leer mij Uw weg. Als Mozes dat grote volk moet leiden, wil hij de weg weten. De Heere vraagt aan Mozes: "Moet Mijn aangezicht meegaan om u gerust te stellen? Toen zei hij tegen Hem: Als Uw aangezicht niet meegaat, laat ons dan van hier niet verder trekken" (Exod. 33:14-15). Zo geldt het ook voor ons. Wij hebben onze weg te gaan, soms bidden we ook: leer mij Uw weg. Zonder de Heere een weg gaan, heeft geen zin.
De Naam van de HEERE
Mozes vraagt ook aan de Heere God: "Toon mij toch Uw heerlijkheid! Maar Hij zei: Ík zal al Mijn goedheid bij u voorbij laten komen, en in uw aanwezigheid zal Ik de Naam van de HEERE uitroepen, maar Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig zal zijn, en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontfermen zal. Hij zei verder: U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven. Ook zei de HEERE: Zie, hier is een plaats bij Mij, waar u op de rots moet gaan staan. En het zal gebeuren, als Mijn heerlijkheid voorbijtrekt, dat Ik u in een kloof van de rots neer zal zetten en u met Mijn hand zal bedekken totdat Ik voorbijgegaan ben" (Exod. 33:18-22). Dit is een indrukwekkende gebeurtenis geweest voor Mozes. Hij moest op de rots gaan staan en de Heere zou hem in de rots zetten. Dit lijkt op onze positie. Op basis van het verlossingswerk van de Heere Jezus Christus, de Rots der eeuwen, mogen we weten dat we in Christus gezet zijn. Bij Mozes was dit nog allemaal een geheimenis, maar het komt mooi overeen.
Dan komt het moment dat de Heere aan Mozes voorbijtrekt: "Toen daalde de HEERE neer in een wolk, ging daar bij hem staan en riep de Naam van de HEERE uit" (Exod. 34:5). De Heere begon te roepen met JHWH: "HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw" (Exod. 34:6).
Wanneer David bidt: HEERE, leer mij Uw weg, zegt hij even later: "Maar U, Heere, bent een barmhartig en genadig God, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw" (Ps. 86:15). Dit zijn de enige twee keer dat deze vijf eigenschappen bij elkaar genoemd worden. Dus David moet de geschiedenis van Mozes gekend hebben.
Ze vragen eerst naar de weg en daarna realiseren ze zich wie de Heere is. Het woord trouw kan ook vertaald worden met waarheid. "Leer mij, HEERE, Uw weg, ik zal in Uw waarheid wandelen …" (Ps. 86:11a).
De HEERE is …
Het nieuwe jaar is al weer even op weg, maar ook in 2026 is het goed te weten wie de HEERE is!
- De HEERE is barmhartig, Hij ontfermt Zich. "De HEERE is genadig en rechtvaardig, onze God is een Ontfermer" (Ps. 116:5). Hij ontfermt Zich over wat verloren is, ook over ons. Hij zorgt voor ons.
- De HEERE is genadig. Wij ontvangen alles in Christus. "Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus" (Efe. 1:3). Door Zijn genade hebben we vrije toegang tot de Vader. "Loof de HEERE, mijn ziel, en vergeet niet een van Zijn weldaden" (Ps. 103:2). Wij moeten niet een van de geestelijke zegeningen vergeten.
- De HEERE is geduldig. In het Nieuwe Testament wordt het woord lankmoedig gebruikt, lang van gemoed, lang van woede of toorn. Wij moeten geduldig zijn, met het oog op de verschijning met Hem in Zijn heerlijkheid. God heeft vooral geduld met degenen die Hem nog niet kennen. Hij geeft nog steeds gelegenheid om Hem te leren kennen.
- De HEERE is goedertieren. In Psalm 136 staat 26 keer “want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig”. 26 is in het Hebreeuws de getalswaarde van de naam JHWH.
- De HEERE is trouw. De HEERE is waarheid en daarom trouw. Hij kan niet veranderen van gedachte. Waarheid staat vast. Daarom is Hij ook de Onveranderlijke (1 Sam. 15:29).
En dat brengt ons weer terug bij David, die bad: "Leer mij, HEERE, Uw weg, ik zal in Uw waarheid wandelen" (Ps. 86:11a). Dat geldt ook voor ons. Wij mogen in Zijn waarheid en trouw wandelen”. Vertrouw uw weg aan de HEERE toe en vertrouw op Hem: Híj zal het doen" (Ps. 37:5).
De weg steeds nauwkeuriger kennen
In Handelingen schrijft Lukas over Apollos: "En een zekere Jood, van wie de naam Apollos was, een Alexandriër van afkomst, een welsprekend man, die kundig was op het gebied van de Schriften, kwam in Efeze aan. Deze was in de weg van de Heere onderwezen en, omdat hij vurig van geest was, sprak en onderwees hij nauwkeurig de zaken van de Heere, maar hij wist alleen van de doop van Johannes. En hij begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. En toen Aquila en Priscilla hem gehoord hadden, namen zij hem apart en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit" (Hand. 18:24-26). Apollos was doorkneed in de Schriften, hij was helemaal op de hoogte van het Oude Testament en hij wist van de doop van Johannes. Aquila en Priscilla waren kennissen van Paulus, dus wisten zij meer, en gaven Apollos verder onderwijs. Dit deden ze op een goede manier. Ze vielen Apollos niet af in het openbaar.
Wij hebben - gelukkig - ook mensen om ons heen die steeds weer iets nauwkeuriger uitleggen, tot het einde van Gods weg met ons en totdat we helemaal vol zijn van de wil van God. Dat moment is daar als Christus verschijnt in Zijn heerlijkheid. Want daar gaat het naartoe.
Onze weg
Dus: Leer mij Uw weg, Heere, en laat mij in Uw waarheid wandelen, dat is allemaal onlosmakelijk verbonden met die ene God, die er is. Buiten Hem is er geen God. En we mogen onze weg met Hem gaan en komen steeds meer onder de indruk van wat God in Zijn Woord zegt. En we gaan die weg met een Heer, Die barmhartig is, genadig, geduldig, goedertieren en trouw!
Bijbelmagazine