Andere schapen
In het vorige artikel (blz. 8) ging het over Johannes 10. De Herder kwam om zijn schapen uit de schaapskooi te leiden en naar gazige weiden te brengen. In vers 16 voegt de Heere nog iets toe aan Zijn boodschap: "Ik heb nog andere schapen, die niet van deze schaapskooi zijn; ook die moet Ik binnenbrengen (beter: leiden), en zij zullen Mijn stem horen en het zal worden één kudde en één Herder".
Het woordje ‘andere’ is de vertaling is van het Griekse allos, hetgeen betekent: ander van hetzelfde soort. Dit in tegenstelling tot heteros: ander van een andere soort. Het gaat dus om schapen van hetzelfde 'soort', namelijk afstammelingen van Jakob, die echter door de splitsing van het rijk, na de regeerperiode van Salomo, verdeeld werden in twee volkeren, dan wel koninkrijken: Juda en Israël.
David en Salomo
Het Koninkrijk van Israël is opgericht in de tijd van David. David was de door God uitverkoren herder om koning te worden over Zijn uitverkoren volk Israël. Daartoe is hij gezalfd door Samuël (zie 1 Sam. 16). Hoewel hij toen dus reeds de gezalfde van de HEERE was, kwam hij nog niet direct aan de macht. Veel later pas, na de periode van Saul, werd David koning, eerst over Juda, de stam waaruit hijzelf afkomstig was. In Hebron, gelegen ten zuiden van Jeruzalem, regeerde hij 7 jaar.
Nadat daar alle oudsten van Israël bij hem kwamen, sloten zij een verbond en zalfden David tot koning over geheel Israël. David regeerde vervolgens nog 33 jaar te Jeruzalem, totaal dus 40 jaar. Na David kwam, naar de belofte van God, zijn zoon Salomo op de troon. In zijn dagen maakte het Rijk van Israël een ongekende bloei door. Wereldwijd was men onder de indruk van Salomo's wijsheid en heerlijkheid. Onnodig te zeggen, dat beide koningen natuurlijk een geweldig type zijn van hun Meerdere, de Heere Jezus Christus.
Splitsing
Nadat Salomo eveneens 40 jaar geregeerd had, kwam er een scheuring in het Rijk van Israël. Rechabeam, de zoon van Salomo, werd koning in de plaats van zijn vader over Juda en Benjamin en over “…de Israëlieten, die in de steden van Juda woonden" (1 Kon. 12:17). Dit werd wel het Zuidelijk Rijk of Tweestammenrijk genoemd, met als hoofdstad Jeruzalem.
Jerobeam, een dienaar van Salomo, werd koning over de rest van Israël, dat zich los gemaakt had van het 'huis van David'. Dit werd het Noordelijk Rijk of Tienstammenrijk genoemd, met als hoofdstad Samaria.
Het Zuidelijk Rijk werd aangeduid met de naam: Juda, en het Noordelijk Rijk heette: Israël.
De geschiedenis van het Noordelijk Rijk werd gekenmerkt door afgoderij en goddeloosheid. Niet één van de 19 koningen deed "wat goed was in de ogen van de HEERE." Onder de 19 koningen (+ 1 koningin) van Juda waren er nog acht goede tot zeer goede koningen.
Er was ook onderlinge strijd tussen de beide rijken. Juda probeerde aanvankelijk de verloren macht over de 10 stammen terug te winnen, maar dat lukte niet.
Na het huwelijk van Joram, koning van Juda, met Atalja, de dochter van Achab, koning van Israël, werd een verbond gesloten tussen beide rijken. Na de dood van Achazia regeerde Atalja zelfs verscheidene jaren over Juda! Dit verbond werd verbroken door Jehu, die het hele huis van Achab ombracht. Deze vijandschap is gebleven tot het einde.
Assyrische ballingschap
Het Noordelijk Rijk werd belaagd door Assyrië en in 722 v. Chr. kwam er een einde aan. De inwoners werden gedeporteerd naar Assyrië en zijn nooit meer teruggekeerd naar hun land. In 2 Koningen 17:24 lezen wij: "De koning van Assyrië bracht mensen uit Babel, uit Chuta, uit Avva, uit Hamath en Sefarvaïm, en liet hen in de steden van Samaria wonen, in plaats van de Israëlieten. Zij namen Samaria in bezit en woonden in zijn steden."
Babylonische ballingschap
Het Zuidelijk Rijk werd aangevallen door de koning van Babel, Nebukadnezar, die Jeruzalem heeft ingenomen en de inwoners van Juda als ballingen naar Babel deporteerde. Na een verblijf in Babylonische ballingschap van ongeveer 70 jaar keerde een deel van de ballingen (vermoedelijk zo'n 50.000 mensen) terug naar het land van Juda en Jeruzalem. Onder leiding van Ezra en Nehemia werden de tempel en de stad herbouwd. Jeruzalem heeft daarna bestaan "in benauwde tijden" (Dan. 9:25) tot in het jaar 70 na Chr., toen het door de Romeinse legers verwoest werd en alle inwoners van het hele land terechtkwamen in de verstrooiing onder de heidenen, de zgn. Diaspora.
De Joden
In de tijd van de Heere Jezus vormden 'de Joden' (van oorsprong afkomstig uit het Tweestammenrijk - Juda) de belangrijkste bevolkingsgroep, terwijl het Tienstammenrijk officieel nog altijd in ballingschap was. In de Evangeliën komen wij diverse keren de uitdrukking ‘de Joden’ tegen. De benaming wordt het meest gebruikt door Johannes, veel meer dan de andere evangelieschrijvers. Mattheüs gebruikt deze benaming in totaal (inclusief samengesteld gebruik in bijvoorbeeld "de Koning der Joden") 5 maal, Markus 6 maal, Lukas 5 en Johannes maar liefst 71 maal!
Johannes gebruikt deze benaming niet alleen maar om aan te duiden wie hij bedoelt, maar ook om weer te geven wie zij zijn, namelijk: Enerzijds nakomelingen van Juda en anderzijds ook degenen die behoorden tot de (religieuze) elite in zijn dagen.
Het godsdienstige en maatschappelijk leven in de dagen van Jezus werd voornamelijk bepaald door de Joodse leiders, bekend als 'de overpriesters en de Schriftgeleerden'. Onder deze Schriftgeleerden bevonden zich nog wel Farizeeën, maar de Sadduceeën waren in de meerderheid. De Farizeeën en de Sadduceeën, twee partijen in het Sanhedrin, hadden doorgaans niet veel met elkaar op. Hoewel de Farizeeën in de minderheid waren, werden zij als de geestelijke leiders van het volk gezien. Zij waren orthodox, hielden zich aan de wet c.q. overlevering der vaderen, erkenden het bestaan van boze en goede geesten, de lichamelijke opstanding, e.d. De Sadduceeën echter waren veel minder wettisch, hadden minder oog voor de profeten. Zij verwierpen de lichamelijke opstanding, het bestaan van engelen, geesten, etc. Opvallend is, dat de twee partijen elkaar wel goed vonden in hun vijandschap ten opzichte van de Heere Jezus!
Sanhedrin
In de tijd van het Romeinse Rijk was er de Hoge Raad, ook wel het Sanhedrin genoemd, afgeleid van het Griekse 'synedrion', hetgeen betekent: zitting, beraadslaging, vergadering. Het Sanhedrin bestond uit 71 leden, d.w.z. 70 leden en de hogepriester, die ambtshalve voorzitter was. De leden van het Sanhedrin waren ten dele overpriesters (d.i. leden van de families, waaruit de hogepriesters voortkwamen en oud-hogepriesters) en voor het andere deel bestond de Joodse Raad uit oudsten (burgerlijke overheidspersonen) en Schriftgeleerden.
Het Sanhedrin was het hoogste bestuurs- en rechtscollege en had macht over leven en dood (zie Hand. 7:54 e.v.), mits de doodstraf door steniging voltrokken werd. Volgens Handelingen 9:1 reikte de machtsinvloed van het Sanhedrin zelfs tot Damascus in Syrië. 
De Heere Jezus, de apostelen en vele anderen hebben met het Sanhedrin te maken gehad. Samen met de traditionele leringen van de synagoge bepaalde de Raad het leven in Israël, waardoor de waarheid ernstig in het gedrang kwam. Als zodanig is de benaming 'de Joden' een negatieve kwalificatie van de toenmalige Joodse leiders en vele van hun onderdanen. Zij worden onderscheiden van het 'gewone' volk, zoals bijvoorbeeld duidelijk blijkt uit Johannes 7:11-13. Wat eens de "feesten van de HEERE" waren (Lev. 23), worden in het Johannes-evangelie "feesten van de Joden" genoemd (zie 2:13, 5:1, 7:2, etc.). De overlevering gold als waarheid en beroofde daardoor het Woord van God van zijn kracht (vgl. Matt. 15:2 ev., Mark. 7:3, e.v.).
Tegen die achtergrond is het te verstaan, dat de Heere Jezus in Zijn toespraken zo vaak (25 keer) begint met die bekende woorden: "Voorwaar, voorwaar...", m.a.w. dít is de waarheid!
Logischerwijze spreekt de Heere Jezus ten overstaan van 'de Joden' (schapen van de ene stal) dan ook over "… nog andere schapen, die niet van deze stal zijn" (Joh. 10:16). De Heiland wijst daarmee dus op die andere bevolkingsgroep, die op dat moment nog altijd in ballingschap was, maar historisch én profetisch gezien, wel degelijk in aanmerking komt voor de zegen van Abraham, die door Christus gekomen is. De groep, die de Heere noemt: "Zijn eigen schapen" (die naar Zijn stem horen), is uiteindelijk het gelovig overblijfsel uit alle 12 stammen: het ganse Israël, dat zal delen in de heerlijkheid van haar Herder en Koning, Jezus Messias.
Hereniging
In Ezechiël 37 spreekt de profeet over de (toekomstige) hereniging van Juda en Israël. Ezechiël moest twee stukken hout nemen: "... neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen" (vs. 16a). Toen de Heere Jezus op aarde was, bevond Hij Zich te midden van Juda (de 2 stammen) en de Israëlieten, zijn metgezellen, dat zijn zij die daarbij hoorden. Zij vormden in die dagen dus de ene stal.
Vervolgens lezen wij: "... neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het stuk hout van Efraïm, en van heel het huis van Israël, zijn metgezellen" (vs. 16b). Hier komen de schapen van die andere schaapskooi in beeld: Israël (de 10 stammen), dat sinds de Assyrische wegvoering verstrooid was onder de volkeren. Dit was in de dagen van de Heere Jezus (en vandaag) officiëel nog zo.
Beide volkeren behoren de HEERE toe en de opdracht is dan ook: "Breng ze bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout ..." (vs. 17). De betekenis daarvan moest Ezechiël als volgt onder woorden brengen: "Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het stuk hout van Jozef nemen, dat zich in de hand van Efraïm bevindt, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, en Ik zal het bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden" (vs. 19 en 20).
Het laatste volk (Efraïm - het tienstammenrijk) wordt bij het eerste (Juda - het tweestammenrijk) gevoegd, zodat het straks weer één volk zal zijn, één koninkrijk.
Dat betekent in de praktische vervulling ervan: "Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen. Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn (...) En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn" (vs. 21, 22 en 24).
Herstel
In de toekomst worden alle Israëlieten terug verzameld door de HEERE en vervolgens naar het (beloofde) land gebracht. Het is een Bijbels gegeven dat God in de eindtijd een schuilplaats heeft gereserveerd voor Israël in de woestijn (zie bijv. Jer. 31:2; Hosea 2:13 en Openb. 12:6). Daar zullen de Israëlieten, de inwoners van Israël, terechtkomen als zij uit het land moeten vluchten voor het schrikbewind van het beest (vgl. Matt. 24:15 e.v.). Ook zij die tot dan toe nog in de verstrooiing leven worden terug verzameld. Dat zal plaatsvinden na de wederkomst van Christus op aarde (vgl. Matt. 24:31); Ezechiël spreekt erover in hoofdstuk 20: "Ik zal u uit de volken leiden en u bijeenbrengen uit de landen waaronder u verspreid bent (...) Vervolgens zal Ik u brengen in de woestijn van de volken en daar van aangezicht tot aangezicht een rechtszaak met u voeren (...) Ik zal u onder de herdersstok doen doorgaan en u brengen in de band van het verbond" (vs. 33-37).
Israël wordt dus, vóórdat het terugkeert naar het land van de belofte, verzameld in de woestijn. Daar zal een bewaarplaats zijn voor de schapen van het huis van Israël. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan een rotsstad die zich bevindt in het land van Edom (tegenwoordig Zuid-Jordanië). Deze onneembare vesting, een stad, uitgehouwen in de rotsen, is bekend onder de Griekse naam 'Petra' (Hebreeuws: sela).
Daar, in de woestijn, vindt een schifting plaats, volgens vers 38: "Ik zal van u uitzuiveren wie in opstand komen en wie tegen Mij overtreden …” (vgl. de waarschuwing van Petrus in Hand. 3:22 en 23). En dan zegt de HEERE: "Ik zal hen leiden uit het land waar zij vreemdeling zijn, maar zij zullen op het grondgebied van Israël niet komen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben" (vs. 38b). 
De profeet Micha zegt in hoofdstuk 2:12 en 13: "Ik zal u, Jakob, zeker verzamelen, geheel en al. Ik zal het overblijfsel van Israël zeker bijeenbrengen. Ik zal het samenbrengen als schapen van Bozra, als een kudde midden in zijn weide. Het zal er gonzen van de mensen" (vs. 12).
De N.B.G.-'51-vertaling heeft in plaats van ‘Bozra’ vertaald: ‘kooi’. Bozra betekent letterlijk: versterkte plaats, en was de vroegere hoofdstad van Edom. 'Beser' is waarschijnlijk een aanduiding van dezelfde plaats en was één van de vrijsteden, gelegen in de woestijn, en betekent: ontoegankelijke plaats.
Hoewel geografisch en historisch misschien wat moeilijk te duiden, is de betekenis duidelijk. Het gaat om een sterke, ontoegankelijke (schuil)plaats, een vesting, een burcht of 'schaapskooi' en het is in het Zuiden, in de woestijn. Dáár wordt het overblijfsel van Israël (de schapen) verzameld. Dáár vindt een schifting plaats en van daaruit trekt het gelovige overblijfsel (Zijn "Eigen" schapen, die naar Zijn stem horen) op, achter de Herder aan naar het beloofde land: "De Doorbreker trekt vóór hen op. Zij zullen doorbreken, door de poort trekken en daardoor naar buiten gaan. Hun Koning gaat vóór hen uit, de HEERE gaat aan de spits" (vs. 13). Slechts zij die luisteren naar de stem van de Herder zullen vanuit deze 'schaapskooi' geleid worden en gebracht worden in de grazige weiden van het beloofde land!
De Heere is de Deur (de Doorbreker), Hij maakt ruimte en Zijn schapen gaan uit de schaapskooi en volgen de Goede Herder, de Grote Herder en de Opperherder. Hij is de Herder-Koning, Die Zijn kudde zal weiden op de bergen van Israël, waar alle twaalf stammen in rust en veiligheid, ongestoord kunnen genieten van de rijke zegeningen van God (Ps. 23). Vrede zij over Israël!
Bijbelmagazine