Vers 3: "... en hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten ..." Je zou kunnen zeggen: hij verlost ze uit de schaapskooi en brengt ze in de vrijheid! "En wanneer hij zijn eigen schapen naar buiten gedreven heeft, gaat hij voor hen uit ..." De herder stelde zich aan het hoofd van de kudde en bracht ze dan in grazige weiden om daar te genieten van de overvloed.
Vanaf vers 7 geeft de Heere Jezus een nadere verklaring: "Ik ben de Deur voor de schapen". De Messias is Degene door Wie Zijn schapen uit de schaapskooi terechtkomen in de vrijheid. En dat is ook wat de Heere Jezus verder uiteenzet in vers 9: "Ik ben de Deur; als iemand door Mij (...) zal hij behouden worden ...". Met
opzet zijn hier de woorden ‘binnen gaat’ weggelaten, want nu zien we dat deze weergave in de vertaling verwarrend is. De herder leidde de schapen immers niet naar binnen, maar naar buiten!
De Statenvertaling vertaalt het ietsje beter met: ‘ingaat’. Gezien vanuit het door de Heere Jezus geschetste beeld van het-naar-buiten-voeren, is de gedachte als volgt: "Ik ben de Deur (de opening, doorgang); als iemand door Mij ingaat (= door de opening naar buiten toe, in de vrijheid dus), zal hij behouden worden ...".
En dan voegt de Heere er nog aan toe: "... en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden".
De uitdrukking 'ingaan en uitgaan' is een Hebreeuwse zegswijze voor 'leven' en komen we vaker tegen in de Bijbel, zoals in:
- Deuteronomium 31:1 en 2 - Mozes bedoelde te zeggen dat hij verzadigd was van het 'leven' en spoedig zou sterven;
- 1 Koningen 3:7 - Salomo was nog jong en kende het leven nog niet goed genoeg;
- Psalm 121:8 - Hier gaat het om het (eeuwige) leven, dat door God bewaard wordt en
- Handelingen 9:28 - Paulus leefde te midden van de discipelen in Jeruzalem.
Deze uitdrukking staat dus voor 'leven' in het algemeen, met de nadruk op de activiteit van het leven. De boodschap is dus, dat de goede Herder gekomen is om mensen te verlossen en te brengen in ... de vrijheid. Dáár zijn de weidegronden, dáár is vers voedsel, levend water; kortom: dáár is ruimte om (actief) het goede leven te genieten! Dat is de reden van de komst van Christus: "Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed hebben" (vs. 10). Dezelfde waarheid wordt hier tweemaal gezegd: ingaan en uitgaan en weide vinden = leven hebben en overvloed.
Betekenis voor Israël
Dit gedeelte in Johannes 10 staat niet op zichzelf. De aanleiding voor de woorden van de Heere Jezus hangt vooral samen met datgene wat er aan voorafging. Eigenlijk begint dat al in hoofdstuk 8, waar de Heere in debat is met "de Joden". Deze benaming wordt niet alleen gebruikt voor de Joodse mensen in die tijd, maar ook meermaals voor de Joodse leiders.
In vers 12 lezen wij, dat de Heer zegt: "Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt, zal beslist niet in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben". Even later zegt Hij, dat zij vooral in Zijn woord moeten blijven (= Zijn stem gehoorzamen), dan zouden zij werkelijk discipelen van Hem zijn; zij zouden de waarheid kennen en "de waarheid zal u vrijmaken" (vs. 31 en 32). Dat is hetzelfde als "het licht van het leven hebben".
De Joden beroepen zich echter op het feit dat zij Abrahams nageslacht zijn en dat God hun Vader is. Zij zijn naar eigen zeggen nooit iemands slaven geweest. Welnu, daar begint de schoen al te wringen, want het nageslacht van Abraham is wel degelijk in slavernij geweest, namelijk in Egypte. Maar, en daar gaat het de Heere Jezus vooral om, er is nog een andere vorm van slavernij: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde" (vs. 34). Dit is een belangrijke uitspraak. Wat Joden en heidenen ook van elkaar doet verschillen, één ding hebben zij gemeenschappelijk en dat is dat zij zondaars zijn! "Allen (= Joden en heidenen) hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God", zegt Paulus later in Romeinen 3:23.
In dezelfde Romeinenbrief legt de apostel uit dat een mens zichzelf niet kan rechtvaardigen voor God, ook niet door de werken van de wet te doen. Immers, het vlees is zwak en kan aan de eisen van de wet onmogelijk voldoen. Hij neemt dan Abraham als voorbeeld. Toen er nog helemaal geen wet van Mozes was (!), werd hij gerechtvaardigd op grond van geloof.
De afstamming van Abraham op zichzelf geeft dus geen enkele garantie voor de eeuwige zaligheid; daarvoor is geloof nodig: "Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven ..." (Joh. 3:36a).
De Heere Jezus zegt later in Johannes 14:1 dan ook: "... u gelooft in God, geloof ook in Mij", want "Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij" (vs. 6). Christus is de Deur!
De Heere Jezus vervolgt in Johannes 8:35 met: "En de slaaf blijft niet eeuwig in het huis; de zoon blijft er eeuwig". Het 'huis' is hier ongetwijfeld een aanduiding van het 'huis van Israël', tot wie de Zoon immers gezonden was (Matt. 15:24).
In het kort gezegd bedoelde de Heere Jezus: je kunt wel zeggen dat je van Abraham afstamt en dat God je Vader is, maar als je niet in de Zoon gelooft, heeft dat geen enkele waarde. "En dit is het getuigenis, namelijk dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft; en dit leven is in Zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet" (1 Joh. 5:11 en 12).
Daarom zegt de Heiland: "Als dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult u werkelijk vrij zijn" (Joh. 8:36). En dáár gaat het nu om! De Heere Jezus is gekomen om hen werkelijk vrij te maken door hen te verlossen van de zonde, uit de zondemacht, en hen eeuwig leven te geven. De enige voorwaarde is dat zij tot Hem zouden komen om dat leven te ontvangen.
Blindgeborene
In Johannes 9 volgt het verslag van een gebeurtenis die illustratief is voor wat de Heer gezegd had (in hs. 8) en nog zeggen zou (in hs. 10). "En in het voorbijgaan zag Hij iemand die blind was van de geboorte af" (Joh. 9:1). In deze blindgeborene zien wij een type van de zondaar. Toen de profeet Nathan bij hem kwam, nadat hij tot Bathseba gekomen was, zei David: "Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen" (Ps. 51:7). De Heere gebruikt deze blinde man als een levend voorbeeld: de werken van God moesten in hem openbaar worden (vs. 3).
In vers 5 verwijst de Heere terug naar Zijn eerder gedane uitspraak, dat Hij het Licht der wereld is. Dan maakt Hij slijk, legt hem dat op de ogen en zegt dan: "Ga heen, was u in het badwater Siloam (wat vertaald wordt met: Uitgezonden)" (vs. 7). Siloam is, gezien de vertaling, een beeld van Christus Zelf. Hij is niet alleen het Licht der wereld, maar ook het Water des levens!
De man gehoorzaamde de stem van de Heere Jezus en werd ziende. En dan komt de scheiding aan het licht tussen de (ongelovige) Joden en de (gelovige) man. Het eind van het verhaal is, dat deze man uit de synagoge geworpen werd, want "de Joden waren al overeengekomen dat, als iemand zou belijden dat Hij de Christus was, hij uit de synagoge geworpen zou worden" (vs. 22). En op de vraag van de Farizeeën of zij soms ook blind waren, antwoordde de Heere Jezus: "Als u blind was, zou u geen zonde hebben, maar nu u zegt: Wij zien, zo blijft dan uw zonde" (vs. 40 en 41). Vanwege hun ongeloof waren zij dus ziende blind.
Zoals deze blindgeborene slechts door te gehoorzamen aan de Zoon licht ontving, zo zal de zondaar die tot Jezus komt, gereinigd worden en het licht van het leven, eeuwig leven, hebben! Dit alles vormt de achtergrond van de woorden die de Heer spreekt in Johannes 10, beginnend met "Voorwaar, voorwaar ...". Let op, want dit is waarheid, wat Ik nu zeg ...!
Vrijheid
Johannes 10 proclameert de boodschap: "Als dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult u werkelijk vrij zijn" (Joh. 8:36). Uitgangspunt is de schaapskooi met daarin de schapen. Dat is de bestaande toestand. Wat stelt deze schaapskooi of stal voor? Verschillende antwoorden zijn mogelijk: de wet, het Jodendom, deze wereld, in ieder geval ook: de zonde.
De wet is door God via Mozes gegeven en vormde als het ware een muur rondom het apart gezette volk Israël. Door het verbond van de wet had Israël een bijzondere positie en was het verbonden met de HEERE. Tegelijk was de wet een tuchtmeester tot Christus. Het volk van Israël was in verzekerde bewaring gesteld. Hierin genoot het volk een zekere vrijheid, die echter in de praktijk steeds meer een gebondenheid werd, vanwege de zwakheid van het vlees. Men verwachtte het leven van de wet, maar "door de wet is immers kennis van zonde" en "het loon van de zonde is de dood" (zie Rom. 3:20 en 6:23).
Het werd, mede door de negatieve invloed van de leidslieden, tot een last en een juk, waaronder men gebukt ging. Daarom zegt de Heere: "Kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven (...) want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht" (Matt. 11:28-30). Het juk van de wet is: 'Doe dat ... en u zult leven'. Maar zij kónden het niet doen ... en dus was er ook geen leven! De last van Christus verkondigt: het is volbracht ... dus: leef!
In de Galatenbrief spreekt Paulus vooral tot gelovigen met een Joodse achtergrond. Hij sluit volkomen aan bij het onderwijs van de Heere Jezus. Hij zegt in Galaten 1:4, dat de Heere Jezus "Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons zou ontrukken aan de tegenwoordige slechte wereld, overeenkomstig de wil van onze God en Vader".
Hier legt de apostel de nadruk op de verlossing uit de zonde-toestand, waarin de schapen zich bevonden. In Galaten 4 lezen wij: "Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God zijn Zoon uit (denk aan Siloam!), geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij de aanneming tot kinderen (beter: zonen) zouden ontvangen" (vs. 4 en 5).
Hier gaat het om de boodschap dat Christus de wet heeft vervuld en daarom ook het einde van de wet is. Paulus zegt: "Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden ..." (Gal. 3:13).
Wat de Heere Jezus in Johannes 8 opmerkte over de kwestie van slavernij en zoonschap komt ook hier aan de orde. Paulus schrijft aan de gelovigen: "Dus nu bent u geen slaaf meer, maar een zoon; en als u een zoon bent, dan bent u ook erfgenaam van God door Christus" (Gal. 4:7).
Nu was het zo, en dat is eigenlijk ook de aanleiding voor het schrijven van deze brief, dat er mensen waren vanuit het Jodendom, die de gelovigen van hun "vrijheid" wilden beroven, door aan te dringen op de besnijdenis en het doen van de werken van de wet. Kortom, de traditionele Joodse leringen werden verkondigd en daardoor lieten sommigen zich in verwarring brengen (zie Gal. 1:6-9). Paulus ziet dat als een ernstige aanval op het evangelie van Christus: "O, dwaze Galaten, wie heeft u betoverd om de waarheid niet te gehoorzamen; u voor wie Jezus Christus eerder voor ogen is geschilderd alsof Hij onder u gekruisigd was?" (Gal. 3:1). Deze dwaalleraars wilden hen weer terugbrengen in de 'schaapskooi', waaruit zij door het geloof in de Heere Jezus juist waren bevrijd! 
Daarom zegt Paulus nog eens duidelijk: "Sta dan vast in de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft, en laat u niet weer met een juk van slavernij belasten" (Gal. 5:1). Anders gezegd: volg de stem van de Herder, die je volkomen verlost heeft. Deze stem sprak nu door Zijn Geest bij monde van de apostel Paulus!
De Galatenbrief eindigt met de volgende gedenkwaardige woorden: "Want in Christus Jezus heeft niet het besneden zijn enige kracht, en ook niet het onbesneden zijn, maar wel dat we een nieuwe schepping zijn. En allen die overeenkomstig deze regel wandelen: vrede en barmhartigheid zij over hen en over het Israël van God" (Gal. 6:15 en 16).
Het "Israël van God" is dat deel van Israël dat verbonden is met God, het gelovige deel dus.
In de Romeinenbrief schrijft Paulus in relatie tot alle bezittingen en voorrechten van de Israëlieten (uit hen is zelfs, wat het vlees betreft, de Christus!): "Ik zeg dit niet alsof het Woord van God vervallen is, want niet allen die uit Israël voortgekomen zijn, zijn Israël. Ook niet omdat zij Abrahams nageslacht zijn, zijn zij allen kinderen. Maar: Alleen dat van Izak zal uw nageslacht genoemd worden. Dat is: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als nageslacht gerekend" (Rom. 9:6-8). En Galaten 3:7 zegt: "Begrijp dan toch dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn". Voorwaarde om deel te hebben aan Gods heil in de Messias is dus: geloof in de Verlosser. Waar dat geloof is, daar is sprake van het waarachtige volk van God, dat verlost wordt en ingaat in de vrijheid. Daar is leven en overvloed!
Bijbelmagazine