In Mattheüs 13 waren er ongeveer twee jaren verstreken van de driejarige missie van de Heere Jezus Christus op aarde. Er waren wel wat gelovige volgelingen, maar het collectief der Joden erkende en herkende Hem niet als de beloofde Verlosser en was zelfs vijandig ondanks genezingen en andere tekenen.
Vanaf dat tijdstip spreekt Jezus plotseling in gelijkenissen en dat had Hij in de voorgaande jaren nog nooit gedaan. Steeds was Hij scherp en duidelijk, en nam geen blad voor de mond. In Mattheüs 3:7 noemt Johannes zijn toehoorders ‘adderengebroed’ en in hoofdstuk 12:34 doet Jezus dat ook.
Zoals zo vaak zijn het niet de ‘gewone’ ongelovigen die tegendraads zijn of de Romeinse bezetters, maar de orthodoxe Joden die alleen zichzelf heel vroom vonden. Maar vanaf Mattheüs 13 spreekt Jezus plotseling tot hen een hele serie gelijkenissen uit.
Wat was toen de actuele boodschap?
Het Koninkrijk der hemelen was aanstaande, want de Koning was ondertussen geboren. Dit ging om een aards Koninkrijk, zoals we ook leren uit Mattheüs 6, vers 10: “Uw Koninkrijk kome”.
Het is dus een Koninkrijk dat er toen nog niet was, maar waarom wel gebeden werd. Zo werd het door de Heere Jezus aan de Joodse discipelen geleerd.
Een serie van acht gelijkenissen
Dat was heel ongewoon, want nadat Hij de eerste gelijkenis verteld heeft, vragen Zijn apostelen Hem direct: “Waarom spreekt U tot hen door gelijkenissen”? (Matt. 13:10).
Het antwoord in vers 11 is niet mis te verstaan: “Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar aan hen is het niet gegeven”.
Die ‘hen’ is het ongelovige volk der Joden die doof en blind zijn, zoals trouwens al voorzegd in Jesaja 6:10. Uit de volgende verzen blijkt dat de inhoud van de gelijkenissen voor de gelovigen een verrijking betekent, maar voor de ongelovigen het tegengestelde. Ze hebben wel oren, maar hebben de vingers erin gestopt; ze hebben wel ogen, maar ze zijn gesloten. Dan kunnen ze ook niet met hun hart begrijpen en zich bekeren (= omkeren, d.w.z. terugkeren naar de wet) ‘en Ik hen zou genezen” (Matt. 13:15). “Maar uw ogen zijn zalig omdat zijn zien en uw oren omdat zij horen” (vs. 16).
Aan wie werd het uitgelegd?
Jezus legt (Matt. 13:36) uitsluitend aan de discipelen uit wat de betekenis van de gelijkenis is. Hij doet dit pas nadat het ‘gewone’ volk naar huis is. Dan pas wordt de eerste gelijkenis, die van ‘de zaaier’ aan de discipelen uit de doeken gedaan. En Hij besluit ook nu weer met de woorden: “Wie oren heeft om te horen, laat hij horen”. Nou, ze hadden vast wel allemaal twee oren, dus goed luisteren. Dan wordt er in Mattheüs 13:52 een Schriftgeleerde bij betrokken, maar pas na de vraag of de discipelen ‘dit alles’ begrepen hadden. ‘Dit alles’ is dus de acht gelijkenissen inclusief de info over de ‘voleinding van de eeuw’, genoemd in vers 49: “Zo zal het zijn bij de voleinding van de wereld (= eeuw): de engelen zullen uitgaan en de slechten uit het midden van de rechtvaardigen afzonderen, en zij zullen hen in de vurige oven werpen daar zal gejammer zijn en tandengeknars”.
Als ze daar dan ”Ja, Heere” op zeggen, pas dan komt de zeer boeiende zin in vers 52: “Daarom, iedere Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt”.
Het gaat hier dus niet om Farizeeën of Sadduceeërs, maar om iemand die goed op de hoogte is van het Oude Testament. Zo’n Schriftgeleerde kende de boeken van Mozes, de Psalmen, de Geschriften en de profeten, enz. Daar wist hij alles van, want dat bestudeerde hij, dat was zijn vak. Er staat niet vermeld of deze man dat nou allemaal geloofde of niet, maar de feiten kenden hij. Werd deze man nou ook nog onderwezen in de zaken betreffende het Koninkrijk der hemelen, dan zou er een hele nieuwe wereld voor hem opengaan. Dan zouden er uit ‘zijn voorraad’ nieuwe en oude dingen tevoorschijn komen.
Ze komen bijna automatisch boven drijven met de nieuw verworven kennis van dit aardse Koninkrijk.
Hij is zelfs, na die instructie over dat aardse Koninkrijk, gelijk aan een heer des huizes! Dat was hij niet, maar hij gaat dat worden: hij gaat een ‘huis beheren’ en dat huis dat kan niet anders dan het huis van Israël zijn.
Die twee zaken hebben alles met elkaar te maken. Het aardse Koninkrijk der hemelen is voor het aardse volk Israël, met een aardse toekomst en aardse zegeningen.
De feiten die de Schriftgeleerde kende
Die man was natuurlijk wel bekend met de profetie uit Micha 5, vers 1: “En u Bethlehem-Efratha, al bent u klein onder de duizenden van Juda, uit u zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël”.
En hij wist vanzelfsprekend ook wel dat er op dat moment een zekere Jezus van Nazareth rond liep, van Wie er zeer sterke geruchten gingen dat Hij in Bethlehem geboren was ten tijde van de Romeinse volkstelling.
En Bethlehem-Efratha was al eerder in de profeten genoemd als de plaats waar Rachel stierf, nadat ze een zoon gebaard had (Gen. 35:16).
Het vreemde was toen dat die zoon eerst Ben-oni (= zoon van mijn smart) werd genoemd en later Ben-jamin (= zoon van mijn rechterhand/ geluk/ voorspoed).
Hij kende als Schriftgeleerde de betekenis van de namen wel, want hij beheerste de taal tot in de finesses. Dat die twee gebeurtenissen nou net precies in datzelfde Bethlehem gebeurd waren …
Een mannelijke Heerser en een ‘Zoon van mijn smart’ die ‘Zoon van de rechterhand’ zou worden.
Het zou trouwens wel tijd worden, want sinds Maleachi (374 v. Chr.) waren er al ruim 400 jaren verstreken. In al die jaren was er geen profeet die namens de Heere God optrad, totdat Johannes de doper kwam. Het waren 400 zeer duistere jaren geweest en de Romeinen waren al sinds 63 v. Chr. de baas. Over 'duistere jaren’ gesproken, dat zijn precies de woorden uit Jesaja 9: “Het volk dat in duisternis wandelt zal een groot licht zien”. En dat Grote Licht bleek een Kind dat geboren is en een Zoon Die gegeven is.
De Heere Jezus zei trouwens ook van Zichzelf dat Hij het Licht der wereld was (Joh. 9:5). En Die Zoon zou de heerschappij ontvangen en klinkende titels (Jes. 9:5). Soldatenlaarzen en met bloed doordrenkte mantels zouden bij die gelegenheid met vuur verbrand worden (vs. 4).
Tamar, de schoondochter van Juda
Wel een pikante gebeurtenis. Tamar verwachtte een tweeling en de vader heette Juda, haar eigen schoonvader. Dit is ‘Juda’ van wie de scepter niet zou wijken, volgens Genesis 49:10 en uit Juda is het Joodse volk ontstaan. De namen van de tweeling (Peres en Zera) staan als één persoon vermeld in het geslachtsregister van Jezus van Nazareth. Hij is dus ook een Jood, namelijk uit Juda.
Stronk van Isaï
In Jesaja 11 wordt gesproken over de stronk van Isaï (de vader van David). Een stronk is de stomp die overblijft als er een boom omgehakt wordt. De
Schriftgeleerde was goed op de hoogte met Hebreeuwse typologie en symboliek, het was hem met de paplepel ingegoten. Uit de stronk van Isaï zou een Twijgje (Hebr.: choter) groeien en ‘… op Hem zal de Geest van de HEERE rusten’.
Een ‘choter’ is een kind en taalkundig ‘mannelijk enkelvoud’, dus het gaat weer over een zoon! Dat zijn wat veel toevalligheden om van toeval te kunnen spreken, moet de conclusie van de Schriftgeleerde wel geweest zijn.
1 Petrus 1:11
De apostel Petrus schreef aan de tien stammen van Israël die al ruim 700 jaar eerder in ballingschap waren gestuurd wegens overspel. De huwelijksrelatie met de HEERE was verbroken, ze hadden een scheidingsbrief gekregen, volgens Jeremia 3:8. Tot nader order uit het land verwijderd.
In zijn brief opmerkelijke uitspraken die weer oproepen om het Oude Testament grondig verder te bestuderen.
Petrus schreef aan deze Israëlieten dat ze ‘uitverkorenen’ zijn (vs. 2) en dat ze opnieuw geboren waren (vs. 3) tot een levende hoop, enz. In de volgende verzen bemoedigt hij hen om vol te houden in hun huidige moeilijke omstandigheden (vs. 6-7).
Vers 10: “Naar deze zaligheid hebben de profeten die geprofeteerd hebben over de genade die aan u bewezen is, gezocht en gespeurd. Zij onderzochten op welke en wat voor tijd de Geest van Christus Die in hen was, doelde, toen Hij tevoren getuigde van het lijden dat op Christus komen zou en ook van de heerlijkheid daarna”.
Eerste opmerkelijk feit is wel dat de Geest van Christus dus toen al ‘doende’ was in de profeten, zoals Jesaja, Jeremia, Micha, en anderen. Die profeten zochten en speurden dus in de Oudtestamentische boekrollen naar dingen als ‘het einddoel van uw geloof, de zaligheid van uw zielen’ (1 Pet .1:9).
En die Geest van Christus ‘Die in die profeten was’ getuigde dus toen al van ‘lijden dat op Christus komen zou en ook van de heerlijkheid daarna’.
Daarnaar zochten die profeten van het eerste uur en wellicht hadden ze veel meer in de gaten dan wij kunnen vermoeden. Voor ons is het, met de kennis van nu, een stuk gemakkelijker, want wij hebben een complete Bijbel. De hele heilsgeschiedenis heeft zich ontvouwd en is beschreven; het ging van lijden naar heerlijkheid, van dood naar opstanding en verhoging.
Let op de timing
De tekst uit Mattheüs 13:52 werd tijdens de missie van de Heere Jezus uitgesproken, dus vóór Golgotha. De brief van Petrus is bijna 30 jaar later, ná Golgotha, geschreven tijdens Handelingen vóórdat Paulus hét geheimenis mocht bekendmaken (Efe. 3 en Kol.1:26).
Wij leven nu ná al die gebeurtenissen en kennen ook de inhoud en gevolgen van dat geheimenis. Er is nu voor ons een veel breder perspectief om van Oudtestamentische gebeurtenissen en uitspraken de overdrachtelijke betekenis te zien, hoewel het geheimenis zelf: “… door de eeuwen heen verborgen is geweest in God …” (Efe. 3:9b). Daar hoeven we niet naar te zoeken en te speuren.
Dood en opstanding: hoop
Er worden niet heel veel doden opgewekt in het Oude Testament, maar die wel beschreven worden zijn hoogst opmerkelijk, alleen al omdat er bijvoorbeeld geen namen bij vermeld staan.
In 2 Koningen 4:8-37 lezen we van een rijke vrouw uit Sunem die geen zoon had, haar man was (te?) oud, maar ze kreeg toch een zoon en die stierf vroegtijdig. Wat nu?
In 1 Koningen 17 lezen we van de weduwe van Zarfath, van wie de zoon vroegtijdig stierf; ze had geen man meer. En nu?
En bij de enige beschreven rechtspraak van Salomo kreeg een hoer een zoon die door haar eigen schuld (!) vroegtijdig stierf. Op de derde dag werd er een nieuwe zoon geboren in datzelfde huis (1 Kon. 3).
Drie gebeurtenissen, drie keer geen namen en drie keer een zoon die te vroeg stierf, en drie keer geen mogelijkheid voor een opvolger.
- De man van de Sunamitische was (te) oud.
- De man van de vrouw uit Zarfath was overleden.
- De beide hoeren hadden niet eens een man.
Vooral dit laatste geval is schrijnend, twee ontrouwe vrouwen in één huis. De zoon stierf door schuld van de vrouw. Maar in alle drie gevallen kwam er wél weer een nieuwe zoon, bij de twee hoeren zelfs precies op de derde dag. Waar kennen we dat toch van?
Allemaal waar gebeurd en typologisch zeggen ze ons veel, want het gaat hier over dood en opstanding, d.w.z. opstanding uit de doden. De andere doden bleven nog in het dodenrijk, maar er stond Eén op uit de doden: De Eersteling.
Zo staat het er ook van Christus in 1 Korinthe 15, vers 20: “Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden en is de Eersteling geworden van hen die ontslapen zijn”. Een andere overdrachtelijke betekenis van deze zaken in het Oude Testament is er niet. Dit gaat over de opstanding tussen de andere doden uit, en dat is hét grote verborgen thema van de hele Bijbel.
Later, na Handelingen 28 wordt dan bekend dat in deze ‘genadebedeling’ (gelovige) Jood en (gelovige) heiden samen één Lichaam vormen met Christus als Hoofd, pas dán is de hele genadeboodschap compleet.
De wet was pas vanaf 1491 v. Chr. van toepassing op Israël en die is met ingang van 62 na Chr. vervallen (Efe. 2:14). Vóór 1491 v. Chr. was er nog geen wet, alleen het geweten. Na Efeze 2:4 is die wet vervallen.
Zie ook Galaten 3, vers 24: “Zo is dan de wet onze leermeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof (ván Jezus Christus-OV) gerechtvaardigd zouden worden”.
Nu weten we ook precies wat Paulus bedoelde toen hij in 1 Korinthe 12:31 schreef: “… en ik wijs u een weg die dit alles nog overtreft”.
Efeze 3:8 zegt: “Mij, de allerminste van alle heiligen, is deze genade gegeven om onder de heidenen door het Evangelie de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen …”, enz. Dat is het heil waar wij als gelovigen van nu de vruchten van plukken. Anders hadden wij nu gestaan waar toen de heidenen stonden: “… zonder Christus, vervreemd van het burgerschap van Israël en vreemdelingen wat betreft de verbonden van de belofte. U had geen hoop en was zonder God in de wereld” (Efe. 2:12).
“Maar God, Die rijk is in barmhartigheid heeft ons door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons heeft liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de overtredingen, mét Christus levend gemaakt – uit genade bent u zalig geworden – en heeft ons met Hem opgewekt en met Hem in de hemelse gewesten gezet in Christus Jezus …” (Efe. 2:4-7).
Het was dus noodzaak dat er een nieuwe weg zou komen waardoor er nieuwe hoop voor de mensheid zou ontstaan. Nou, die nieuwe weg wordt uitsluitend in Christus gevonden, door Zijn opstanding tussen de overige doden uit. Dit had grote gevolgen. Dit prachtige geheim was dus al die voorgaande eeuwen verborgen in God, maar wel “… gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus Zelf de hoeksteen is …” (Efe. 2:20).
Met die bril op mogen ook wij verder speuren en schatgraven, het geeft geestelijke rijkdom en heerlijke rust!
Bijbelmagazine