Met wie is het nieuwe verbond gesloten?
Waarschijnlijk zullen veel christenen deze vraag als volgt beantwoorden: 'Met ons'; of: 'Met Israël en ons'. Dat het nieuwe verbond binnen bijvoorbeeld de grotere protestantse kerkgenootschappen een belangrijke rol speelt, blijkt wel uit het bestaan van de verbondstheologie. Ondanks het gegeven dat veel kerken ervan uitgaan dat zij aan God verbonden zijn door middel van het nieuwe verbond, is het tegelijk een gewoonte om in de zondag(morgen)dienst de tien geboden voor te lezen, die toch echt tot het oude verbond behoren.
Vanuit de evangelische wereld is er weerstand tegen de verbondstheologie. Als verwijt klinkt dan dat de kerk daarmee de plaats van Israël heeft ingenomen. Dit laatste is een belangrijk punt in de zogenoemde vervangingstheologie. Hoe het ook zij: in beide gevallen is het nieuwe verbond onder meer bedoeld voor de kerk, zo is de gedachte.
Bij het protest van de evangelische wereld tegen de verbondstheologie en/of de vervangingstheologie moet wel worden opgemerkt dat ook binnen de evangelische richting zelf veel voor Israël bestemde teksten overgenomen worden.
Het leven onder het oude verbond
De volgende tekst hebben we al vaker genoemd: "Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij. U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken" (Exod. 19:5 en 6). De HEERE zegt dat Israël uit "alle volken" gekozen is tot Zijn Persoonlijk eigendom. Het hier gebruikte woord voor "volken" is het meervoud van het Hebreeuwse am. Daar - op de Sinaï - werd de afzondering van Israël uit de volkeren bezegeld. In vers 6 staat vervolgens dat Israël tot "een heilig volk" zou zijn. Het hier gebruikte woord voor "volk" is het Hebreeuwse goj. Als Joodse mensen het tegenwoordig over een goj hebben, bedoelen ze daarmee een niet-Jood. Toch noemt de HEERE in deze tekst Zijn volk goj; een heilig (= van de overige volken afgezonderd) goj weliswaar, maar toch!
Enfin: het hele Oude Testament laat zien dat er vanaf dit moment op de Sinaï inderdaad sprake is van een verhouding tussen de HEERE en Zijn volk; een verhouding die wij kennen als de relatie tussen man en vrouw, een huwelijksrelatie. God had het volk getrouwd, middels het (oude) verbond.
Met name het Oude Testament laat zien dat deze huwelijksrelatie niet echt een goede relatie was: het gaat over 'ontrouw' (bijv. Richt. 2:11 en 13), wat omschreven wordt als 'overspel' (bijv. Richt. 2:17) en 'hoererij' (Hos. 1:2b). Binnen de relatie tussen God en Zijn volk betekent overspel het achterna lopen van andere goden. We hebben gezien dat, voor wat het huis van Israël betreft, God vanwege overspel van dit huis gescheiden is; Hij zond het huis van Israël (op dat moment tien stammen) weg met de echtscheidingsbrief. Dit gebeurde ruim 700 jaar vóór Christus.
Ook hebben we gezien dat er voor het huis van Juda een einde kwam aan het huwelijk onder het oude verbond - zoals dat er ten tijde van de Heere Jezus nog was - door de dood van de Heere Jezus. Door te sterven scheidde Hij van het huis van Juda.
De Joden die in de tijd van de Heere Jezus zowel vóór als na Zijn opstanding onder het oude verbond leefden, zagen zichzelf als het Israël van God, het uitverkoren volk. Ieder die niet onder het oude verbond leefde, werd door hen gezien als heidens en behoorde tot de onbesnedenen.
Van God uit gezien gold eigenlijk iets dergelijks: vanaf het moment dat de Heere het huis van Israël wegzond met de echtscheidingsbrief, was het huis van Israël ( de tien stammen) - wat het verbond betreft - niet meer een afgezonderd volk, waarmee het werd teruggezet in de rij van (heiden)volkeren.
En inderdaad zien wij in het Nieuwe Testament dat mensen die als heidenen - of onbesnedenen - omschreven worden, in verschillende gevallen ooit tot het huis van Israël, de tien stammen, behoorden. Zoals we zullen zien is dit soms lastig te onderscheiden, maar soms ook heel duidelijk!
De aankondiging van het nieuwe verbond
Als het gaat om het nieuwe verbond komt inderdaad de vraag naar voren: Met wie zal dit verbond gesloten worden? Zie de eerste alinea van dit artikel.
In verband met het oude verbond hebben we in deze serie op verschillende plekken Jeremia 31 al aangehaald. Maar we lezen in dat hoofdstuk ook zeer essentiële dingen met betrekking tot degenen met wie het nieuwe verbond zal worden gesloten. Zo lezen we in vers 31 en 32 het volgende: "Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten, niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden - Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE". De eenenveertigjarige periode waarin Jeremia zijn taak als profeet uitoefende, eindigde rond 475 voor Christus. Rond 722 voor Christus was het huis van Israël al weggezonden met de echtscheidingsbrief. Jeremia trad dus op in de periode waarin alleen het huis van Juda nog in het land was.
Naar de mens gesproken is het helemaal niet zo vanzelfsprekend wat we in deze verzen lezen. Maar wat God betreft, is er niet alleen ruimte voor een nieuw verbond, maar maakt Hij ook duidelijk met wie Hij dat verbond zou sluiten: met het huis van Israël en met het huis van Juda!
Hosea
Wanneer wij een goed zicht willen hebben op de vraag met wie het nieuwe verbond gesloten werd en wordt, helpt het als we in het Oude Testament lezen over de aankondiging daarvan. Zo vinden we in bijvoorbeeld Hosea een beschrijving waar we eerst goed over moeten nadenken. Lees vooral Hosea 2 eens aandachtig door. In de verzen 15, 18 en 19 staat: "Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE, dat u Mij zult noemen: mijn Man, en Mij niet meer zult noemen: mijn Baäl! (...) Ik zal u voor eeuwig tot Mijn bruid nemen: ja, Ik zal u tot Mijn bruid nemen in gerechtigheid en in recht, in goedertierenheid en in barmhartigheid. In trouw zal Ik u voor Mij als bruid nemen; en u zult de HEERE kennen". Het gaat in deze verzen en in dit hoofdstuk niet over het oude verbond. Het zijn woorden die juist onder het oude verbond worden uitgesproken door de Heere, terwijl Hij uitziet naar wat komen gaat! Hij noemt regelmatig de woorden "Ik zal". Dit wijst erop dat het hier over de toekomst gaat. En dat is in ieder geval de toekomst gezien vanuit de tijd dat de HEERE deze woorden via Hosea bekendmaakte.
Hosea trad op in de periode waarin zowel het huis van Juda als het huis van Israël nog in het land waren. Zijn prediking was hoofdzakelijk gericht op het huis van Israël. Kort na zijn dood zou het huis van Israël verstrooid worden onder de volken.
In Hosea 1 wordt duidelijk gemaakt dat het volk onder het oude verbond op overspelige wijze leefde, wat dus het nalopen van andere (af)goden betekende. Deze situatie wordt geïllustreerd in het huwelijk dat Hosea moest aangaan met een hoer en in de kinderen die daaruit geboren werden. Eerst werd Jizreël (= God plant / zaait; afgeleid van het werkwoord 'strooien') geboren. In verband daarmee staat er in vers 4b: "... Ik zal het koningschap van het huis van Israël wegdoen". Het tweede kind heette Lo-Ruchama (= niet ontfermde). Over haar zei de HEERE: "... Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, want Ik zal hen zeker wegvoeren. Maar over het huis van Juda zal ik Mij ontfermen" (Hos. 1:6b en 7a). De zoon die daarna komt, heet Lo-Ammi (= niet Mijn volk), want tot de Israëlieten (vgl. vs. 10a) wordt gezegd: "... u bent niet mijn volk ..." (vs. 9). Hosea 2 laat zien dat de HEERE eens tot het hart van Zijn volk zal spreken en het tot bruid zal nemen. Dit zal het hele volk betreffen, zoals we zo zullen zien.
Paulus haalt deze situatie met betrekking tot het huis van Juda en het huis van Israël ook aan in Romeinen 9 waar hij deze dingen betrekt op de situatie in de Handelingentijd. In Romeinen 9:23 gaat het over de "voorwerpen van Zijn ontferming", een benaming die Paulus geeft ten onderscheid van de "voorwerpen van Zijn toorn" (vs. 22). En dan staat er vervolgens:
- 24 "Hen heeft Hij ook geroepen, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.
- 25 Zoals Hij ook in Hosea zegt: Ik zal Niet-Mijn-volk noemen: Mijn volk, en de Niet-geliefde: Geliefde.
- 26 En het zal zijn dat op de plaats waar tegen hen gezegd was: U bent Niet-Mijn-volk, daar zullen zij kinderen van de levende God genoemd worden".
Paulus laat hier zien dat op het moment dat hij dit schrijft - dat is tijdens de Handelingenperiode - er een situatie was van een dubbele herkomst van gelovigen: Joden en heidenen (vs. 24). De Joden kwamen voort uit het huis van Juda, de heidenen uit het huis van Israël. Paulus haalt immers de benamingen die in Hosea gaan over het huis van Israël aan: Niet-Mijn volk en Mijn volk en Niet-geliefde en Geliefde, en betrekt ze hier op de heidenen. Zo maakt het vergelijk tussen Hosea 1 en Romeinen 9 duidelijk dat de heidenen, die Paulus in dit hoofdstuk bedoelt, voortkomen uit het huis van Israël.
Betekent dit dat elke heiden voortkomt uit het huis van Israël? Nee, maar hier - in Romeinen 9 - is dat wel het geval!
Jeremia
We hebben Jeremia 31 al diverse keren aangehaald in deze artikelenserie. Met name vanwege de sluiting van het (oude) verbond tussen de HEERE en Zijn volk. We lezen prachtige woorden van belofte die de HEERE Zijn volk geeft. Ook hier is sprake van belofte wat duidelijk wordt in de woorden "Ik (...) zal". In vers 31-33 staat: "Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten, niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden - Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE. Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn".
Met wie wordt het nieuwe verbond gesloten?
Jeremia is duidelijk: er zál een nieuw verbond gesloten worden door de Heere. Maar daar houdt de duidelijkheid niet op. Er staat namelijk ook bij met wíe: "... met het huis van Israël en met het huis van Juda ..." (Jer. 31:31). Kortom: met het gehele volk van Israël!
Er is nergens in de Bijbel aanleiding toe om aan te nemen dat Hij met nog meer mensen, groepen, volken een verbond zal sluiten. De profetische woorden in Jeremia 31 laten ons niet in het ongewisse.
Wat betekent dit? Wel, dit betekent dat wanneer het in het Nieuwe Testament gaat over mensen die deel krijgen aan het nieuwe verbond, zij dus óf uit het huis van Juda komen, óf uit het huis van Israël. Die twee zullen in Gods plan weer samen één volk worden, waarmee God het verbond sluit en dat zich onder de Heere zal stellen. Hosea grijpt daar in Hosea 1:10 en 11a al op vooruit: "Toch zal het aantal Israëlieten zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten en niet geteld kan worden. En het zal gebeuren dat in de plaats waar tegen hen gezegd is: U bent niet Mijn volk, tegen hen gezegd zal worden: kinderen van de levende God. Dan zullen de Judeeërs bijeengebracht worden samen met de Israëlieten. Zij zullen voor zich één Hoofd aanstellen en uit het land oprukken". We zullen op deze tekst in het volgende artikel in deze serie nog terugkomen. Voor nu is het voldoende te zien dat Gods volk zal bestaan uit Judeeërs en Israëlieten.
We kunnen met zekerheid vaststellen dat het nieuwe verbond gesloten zal worden met het huis van Juda en het huis van Israël. Zoals gezegd, betekent dit dat als we in het Nieuwe Testament heidenen zien die aan het nieuwe verbond deel krijgen, dit afstammelingen van de tien stammen moeten zijn.
Zie het volgende voorbeeld: In 1 Korinthe 11:17-34 schrijft Paulus één en ander over misstanden bij het avondmaal. De maaltijd waar het hier over gaat, is door de Heere Jezus Zelf ingesteld als uiting van het nieuwe verbond. Paulus noemt dat ook in vers 23-25. In vers 25 wordt in de Herziene Statenvertaling (HSV) "het nieuwe testament" genoemd, wat natuurlijk veel beter weergegeven had kunnen worden met 'het nieuwe verbond' (zie ook de voetnoot in de HSV).
Paulus noemt degenen aan wie hij deze dingen schrijft "mijn broeders" (vs. 33). In 1 Korinthe 12 gaat hij verder met schrijven aan deze broeders. Hij richt zich in dit hoofdstuk niet opeens aan anderen, maar aan zijn broeders. Hij schrijft aan hen: "Wat nu de geestelijke gaven betreft, broeders, wil ik niet dat u onwetend bent. U weet dat u heidenen was, weggetrokken naar de stomme afgoden. Zo liet u zich meevoeren". Kijk! Hier hebben we heidenen die aan het nieuwe verbond deelhebben, wat zichtbaar werd uit hun deelname aan de maaltijd. Deze heidenen waren geen Joden. Ze behoorden daarom - in overeenstemming met Jeremia 31 - tot het huis van Israël.
God sloot het oude verbond destijds met Zijn gehele volk en als Hij dan het nieuwe verbond aankondigt, laat Hij zien dat Hij in het verlengde van het oude ook een nieuw verbond met datzelfde volk sluit.
In het volgende artikel zullen we meer voorbeelden zien van heidenen die blijken af te stammen van het huis van Israël.
Bijbelmagazine