“Toen de volheid van de tijd gekomen was,
zond God Zijn Zoon uit,
geboren uit een vrouw …”
Galaten 4:4
1. Deze tekst is de bevestiging van Genesis 3:15, de zogenoemde ‘moederbelofte’: “En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw, en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht; Dat zal u de kop vermorzelen, en u zult Het de hiel vermorzelen.”
Dit is weliswaar een belofte voor de mens, maar het wordt gezegd als een waarschuwing aan het adres van satan. Zijn nageslacht wordt later ook aangeduid als de ‘kinderen (lett.: zonen) van de boze’ (Matt. 13:38). Het Nageslacht van de vrouw - de vertalers gebruikten al een hoofdletter – wijst op de komende ‘Zoon des mensen’. Dit is de eerste profetie die aangeeft dat de Verlosser uit het menselijk geslacht zou voortkomen.
Expliciet spreekt de Heere over ‘haar Nageslacht’, namelijk van de vrouw. Daarin schemert al door dat dit zonder tussenkomst van een man zou plaatsvinden. En zo is het ook gebeurd: de Verlosser is geboren uit een maagd!
“Dat zal u de kop vermorzelen …”. Het woord ‘dat’ is mannelijk enkelvoud. Het zaad of nageslacht van de vrouw is dus een ‘hij’. En… Zijn komst zou de ondergang van satan betekenen. ‘Kop’ is hoofdzaak / centrum van alles en ‘hiel’ wijst op fysieke kracht / wandel. De Verlosser, de Zoon van God, geboren uit een vrouw, is weliswaar gestorven, maar dat is niet Zijn ondergang geworden, want op de derde dag stond Hij op uit de dood en leeft tot in eeuwigheid. De ondergang van satan, de tegenstander, zou echter definitief zijn.
2. De tweede profetie (Gen. 9: 26) geeft aan dat de lijn naar de komst van de Verlosser, het Nageslacht van de vrouw, zou lopen via de volkeren uit Sem, de eerstgeboren zoon en erfgenaam van Noach. Dit is ruim 1600 jaar later. Hij zou dus uit één der Semitische volkeren komen.
Het woord ‘Sem’ (beter: Shem) betekent: Naam. De HEERE (vertaling van JaHWeH) is dus de (gezegende) God van Sem. Hij is de God van de Naam. In Exodus 3 maakt God Zijn Naam aan Israël bekend, via Mozes: “En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden” (Ex. 3:14).
Tegenwoordig komt het woord ‘anti-semitisme’ regelmatig langs. Dit is dus tegen het Semitische volk Israël, en tegen de Naam. In Lukas 3 wordt Sem (de zoon van Noach) genoemd als voorvader van Jezus.
3. Eén van de nakomelingen en erfgenamen van Sem is Abraham (kleine 400 jr. later). Dat brengt ons bij de derde profetie, waarmee de erflijn nog preciezer naar voren komt.
In Genesis 12:3 zegt de HEERE: “Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.”
‘In u’ wordt later verduidelijkt. In Genesis 22 zegt de HEERE tegen Abraham, nadat hij zijn zoon Izak naar Gods opdracht wilde offeren: “Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de HEERE: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt, zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken (...) En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent” (vs. 16-18).
‘In uw Nageslacht’ – dit wordt gezegd na het ‘offer’ van Izak. In Galaten 3:16 vinden wij een commentaar op deze woorden: “Welnu, zo zijn de beloften aan Abraham en aan zijn nageslacht gedaan. Hij zegt niet: En aan de nageslachten, alsof er sprake zou zijn van velen; maar van één: En aan uw Nageslacht, dat is Christus.” De Verlosser c.q. de Erfgenaam zou voortkomen uit Sem en vervolgens uit Abraham, via de lijn van Izak.
4. Na Izak komen we terecht bij Jakob; hij is de stamvader van het volk Israël via zijn twaalf zonen, de aartsvaders van het uit twaalf stammen bestaande volk. Hier dient zich de vierde profetie aan. In Genesis 49 maakt Jakob zijn zonen bekend wat hen in later tijd zou overkomen (vs. 1). In vers 10 spreekt hij tot Juda en zegt: “De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen.” Hiermee wordt Juda aangewezen als de koninklijke stam, waaruit de ware Koning zou voortkomen, hier aangeduid als Silo (= vredestichter; rustbrenger). Later wordt de Messias genoemd: de Leeuw uit de stam Juda.
Het Hebreeuwse Jehuda betekent: geloofd, geprezen – zie vers 1: “Juda, jij bent het, jou zullen je broers loven!” Uit hem zou de heerser, de leider voortkomen, die uiteindelijk rust zal brengen, vrede, welzijn en welvaart.
5. Eén van de nazaten van Juda is David. De vijfde profetie brengt ons bij één familie uit de stam Juda: het huis van David. Dit is het koninklijk huis van Israël. In 2 Samuel 16 belooft de Heere God aan David: “Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen. Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen (…) Uw huis en uw koningschap zullen voor uw ogen voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn” (vs. 13,14 en 16). 
In eerste instantie was die nakomeling Salomo, de toenmalige vredevorst. Zijn koningschap was echter tijdelijk. De ware Zoon van David zou eeuwen later geboren worden, de Heere Jezus Christus. David noemde Hem in Psalm 110 “in de Geest, zijn Heere” en toch is Hij eveneens zijn Zoon (zie Matt. 22:41-46).
De opgestane en verheerlijkte Heer zegt in Openbaring 22:16 over wie Hij is: “Ik ben de Wortel en het Nageslacht van David, de blinkende morgenster"!
Wortel : De Heere heeft David koning gemaakt en het Davidisch konings¬huis opgericht om over het koninkrijk van Israël te regeren.
Nageslacht : de Heere (Jezus) is uit het huis van David, uit de stam Juda (Luk. 1).
6. De woorden ‘geboren uit een vrouw’ (Gal. 4:4) wijzen niet alleen terug naar Genesis 3:15, maar vooral ook naar Maria, de moeder van Jezus. In Jesaja 7 vinden wij de zesde profetie die aankondigt dat het Nageslacht van de vrouw voortkomt uit een vrouw binnen de familie van David.
In vers 14 staat: “Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven: Zie, de maagd zal zwanger worden. Zij zal een Zoon baren en Hem de naam Immanuel geven.”
Het woord ‘maagd’ kan verwarring geven, want het is hier de vertaling van het Hebreeuwse ‘almah’ en dat ware beter vertaald met: jonkvouw (zie NBG-’51 vert.). Er is namelijk ook een woord voor ‘maagd’ in het Hebreeuws: betulah. Een jonkvrouw, ofwel een jonge vrouw kán maagd zijn, maar het hoeft niet. Dat men hier vertaald heeft met ‘maagd’ zal ook te maken hebben met de tekst in Mattheüs 1:23 waar het Griekse parthenos gebruikt wordt: maagd. En ja, Maria was een jonge vrouw en bovendien nog maagd.
In Jesaja 7 gaat het waarschijnlijk om de jonge vrouw Abia, de moeder van de latere koning Hizkia. Zij zou een zoon baren - als teken voor koning Achaz - en hem Immanuël noemen: God met ons. Dat is namelijk wat Achaz moest leren!
En dan blijkt hier een diepere of profetische betekenis in te liggen, zoals Mattheüs 1:23 laat zien: “Zie, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, en u zult Hem de naam Immanuel geven; vertaald betekent dat: God met ons.”
7. De zevende profetie, en laatste in dit artikel, brengt ons nog bij de profeet Micha. Zelfs de plaats waar de Verlosser geboren zou worden, werd voorzegd, in hoofdstuk 5: “En u, Bethlehem-Efratha, al bent u klein onder de duizenden van Juda, uit u zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël. Zijn oorsprongen zijn van oudsher, van eeuwige dagen af” (vs. 1), en: “Hij zal staan en hen weiden in de kracht van de HEERE, in de majesteit van de Naam van de HEERE, Zijn God. Zij zullen veilig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden van de aarde”(vs. 4).
Het gaat om Bethlehem in de streek Efrata (= vruchtbaarheid). Ooit gingen Jakob en Rachel naar Bethlehem (Gen. 35) en onderweg is zij bevallen van een jongen, waarbij zij het leven liet. Terwijl ze stervende was, noemde zij haar zoon Ben-oni (= zoon van mijn smart/ lijden/ ongeluk). Jakob echter noemde hem Benjamin (= zoon van mijn rechterhand/ voorspoed/ geluk) en richtte daar een gedenkteken op. In die naamgeving ligt een mooi beeld opgesloten van de ware zoon van Jakob. Hij heeft geleden en is gestorven, vervolgens opgestaan uit de dood, verhoogd en verheerlijkt aan de rechterhand van God.
Bethlehem wordt ook de ‘stad van David’ genoemd. Daar liggen de wortels van “het huis en het geslacht van David” (Luk. 2:4) en daar is de langverwachte Verlosser, de Messias, geboren.
Zo laat de Bijbel zien wie het ‘Nageslacht van de vrouw’ is, hoe God door de tijd heen Zijn weg gegaan is om Zijn beloften te vervullen en Zijn Zoon te openbaren, die ook de Zoon des mensen is, de Koning en Heere, dé Verlosser, enig en uniek!
Bijbelmagazine