Zwart op Wit - Deel 7: De Spruit (2 -slot)

Zwart op Wit

Deel 7: De Spruit (2 -slot)

Vier bijbelgedeelten in het Oude Testament spreken over de komende Messias als de Spruit. Zij verwijzen naar de Here Jezus Christus als de vier-voudige Erfgenaam en laten op glorieuze wijze zien wie Hij werkelijk is. Zij corresponderen ook met de vier verschillende manieren waarop de Here Jezus aan ons in de Evangeliën wordt voorgesteld.

Jesaja 4:2
“Te dien dage zal wat de HERE doet uitspruiten tot sieraad en heerlijkheid zijn, en de vrucht des lands tot glorie en luister voor de ontkomenen van Israël”

Jeremia 23:5-6
“Zie de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal als Koning regeren en verstandig handelen, Die zal recht en gerechtigheid doen in het land. In zijn dagen zal Juda behouden worden en Israël veilig wonen; en dit is zijn Naam, waarmede men Hem zal noemen: de HERE onze gerechtigheid”

Zacharia 3:8
“Hoor toch, gij hogepriester Jozua, gij en uw gezellen die vóór u zitten - zij zijn immers mannen die ten wonderteken dienen - voorwaar, zie, Ik zal mijn Knecht, de Spruit, doen komen”

Zacharia 6:12-13
“Zo zegt de HERE der heerscharen: zie een Man, Wiens Naam is Spruit. Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en Hij zal de Tempel des HEREN bouwen. Ja, Hij zal de Tempel des HEREN bouwen en Hij zal met majesteit bekleed zijn en als Heerser zitten op zijn troon; en Hij zal Priester zijn op Zijn troon; heilzaam overleg zal er tussen hen beiden zijn” (Zach. 6:12,13).

Getuigenis van het Oude Testament

Zij zullen zeggen: Dit is Jezus, die wij doorstoken hebben (Zach. 12:10), "en als zij vragen: wat zijn dat voor wonden tussen Uw armen? Dan zal Hij zeggen: Daarmee ben Ik geslagen in het huis van mijn vrienden" (Zach. 13:6). En deze ontdekking zal hun stenen hart verbreken: “Zij zullen hem aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, en over Hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over Hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene. Te dien dage zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn, zoals de rouwklacht van Hadadrimmon in het dal van Megiddo; het land zal een rouwklacht aanheffen, alle geslachten afzonderlijk, het geslacht van het huis van David afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van het huis van Natan afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van het huis van Levi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van Simi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk; alle overige geslachten; alle geslachten afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk.” (Zach. 12:10-14).

Maar de grote Trooster zal in hun midden zijn en zal hen troosten met alle vertroosting van het Evangelie van Zijn liefde: “Zoals iemands moeder hem troost, zo zal Ik u troosten, ja, in Jeruzalem zult gij getroost worden” (Jes. 66:13). Hij zal zeggen: “de Geest des Heren HEREN is op Mij, omdat de HERE Mij gezalfd heeft; Hij heeft Mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen een jaar van het welbehagen des HEREN en een dag der wrake van onze God; om alle treurenden te troosten, om over de treurenden van Sion te beschikken, dat men hen geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest” (Jes. 61:1-3). Weent niet, laten uw harten niet bezwaard zijn: God heeft de vloek in een zegen veranderd. Omdat Ik één keer gestorven ben, mag u nu voor eeuwig leven; omdat u Mij “telde onder de overtreders” (Jes. 53:12), wordt u nu geteld onder de rechtvaardigen. Sta op! Schijn! Ik wil dat u Mij bijstaat bij Mijn geweldig doel met deze aarde, en de kennis van uw Messias te verspreiden over de gehele aarde, zodat de overgeblevenen op deze aarde de Heer zullen zoeken: “Te dien dage zal er een bron ontsloten zijn voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem ter ontzondiging en reiniging” (Zach. 13:1). “Dan zal het loflied uit hun midden opstijgen, vreugdegedruis” (Jer. 30:19). En: “gij zult te dien dage zeggen: Ik loof U, HERE, omdat Gij toornig op mij zijt geweest; Uw toorn heeft zich afgewend en Gij vertroost mij. Zie, God is mijn heil, ik vertrouw en vrees niet, want mijn sterkte en mijn psalm is de HERE HERE, en Hij is mij tot heil geweest. Dan zult gij met vreugde water scheppen uit de bronnen des heils” (Jes. 11:1-3). “De steen die de bouwlieden versmaad hebben, is tot een hoeksteen geworden; van de HERE is dit geschied, het is wonderlijk in onze ogen” (Ps. 118:22,23). “Nochtans, onze ziekten heeft Hij op Zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden Hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. Maar om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de HERE heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen neerkomen” (Jes. 53:4-6).

En deze lofzangen en belijdenis zullen rond de wereld gehoord worden, zodat wat aan Israël gebeurd is direct “worde bekendgemaakt op de ganse aarde” (Jes. 12:5). En het gevolg zal zijn: “Zo zegt de HERE der heerscharen: Wederom zullen volken komen en inwoners van vele steden, en de inwoners van de ene zullen zich begeven naar die van de andere en zeggen: Laten wij toch heengaan om de gunst des HEREN af te smeken en om de HERE der heerscharen te zoeken; ook ik wil gaan. Ja, vele natiën en machtige volken zullen komen om de HERE der heerscharen te Jeruzalem te zoeken en de gunst des HEREN af te smeken. Zo zegt de HERE der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judeese Man, en zeggen wij willen met U gaan, want wij hebben gehoord dat God met U is” (Zach. 8:22-23).

En vanwege het feit dat Israël zo geestdriftig is en luid de lof verkondigd van de Messias, Die zij zo lang hebben veracht en verworpen, en vanwege het feit dat satan gebonden is (Openb. 20:1-3) zal er niets de heidenen in de weg staan om hun getuigenis te geloven en het zal niet lang duren eer “de aarde vol zal worden van de kennis des HEREN heerlijkheid, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken” (Hab. 2:14).

Nieuwe Testament

Nu nemen we de nieuwtestamentische geschiften om te zien of daar het principe bevestigd wordt dat we uiteengezet hebben op grond van de autoriteit van het Oude Testament. Allereerst ga ik naar de brief aan de Romeinen, die wellicht meer dan elk ander boek een samenvatting is van de Christelijke leer. En wat tref ik daar aan wat geleerd wordt over de tijd van Israëls nationale redding en de manier waarop dit tot stand gebracht wordt? In Romeinen 11, dat geïnspireerd is door de Heilige Geest om aan de heidense Christenen te laten zien wat Gods doel met Israël in verleden, heden en toekomst is, zegt Paulus: “Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheid van Jakob afwenden. En dit is Mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem” (vs. 25-27).

Hier wordt ons verteld dat de huidige staat Israël een staat van 'verblinding' is: “Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard” (Joh. 12:40; vgl. Jes. 6:10), en het is bijna onnodig te zeggen dat het meest kenmerkende symptoom van die verblinding is, dat zij Hem niet zien Die het Licht der wereld is (Joh. 8:12). Verder wordt ons verteld dat er een begrenzing is aan die verblinding, zowel wat de mate als de duur betreft. Het is ook niet in z’n geheel, want er is immers uit Israël “ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade” (Rom. 11:5), die zelfs nu naar de vrije genade van God deel heeft aan het Evangelie van Christus, en die samen met het volk uit de heidenen één gemaakt zijn in “de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt” (Efe. 1:23).

Totdat

Ook wat de duur betreft is het niet definitief, want er is een 'totdat' (Rom. 11:26). Tot wat? Wel, er zijn twee oriëntatiepunten waar ik uw volle aandacht op wil vestigen omdat het juist verstaan hiervan zicht geeft op de vraag of Israëls nationale bekering vóór of nà de wederkomst van Christus zal plaatsvinden.

1. de volheid der heidenen (Rom. 11:26)
Wat het eerste oriëntatiepunt betreft is het niet zozeer de vraag wat bedoeld wordt met “de volheid der heidenen”, hoewel het uit de context duidelijk is, dat het niet de bekering van de hele wereld is, omdat dat voltooid zal zijn voordat de verblinding van Israël zal worden weggenomen. En de apostel vertelt ons in vers 15, dat de bekering van de wereld niet verwezenlijkt zal worden voordat Israël voor deze boodschap ontvankelijk zal zijn. Het moet daarom de completering betekenen van het aantal dat nu, door de genade van God, uit de heidenen geroepen is “tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Here” (1 Kor. 1:9). Maar het punt is, dat wat ook met deze term bedoeld mag worden, dat het hier geschreven is op autoriteit van de Heilige Geest, dat Israël nationaal blind zal blijven, en in hun verblinding de Zoon van God verwerpen “totdat de volheid der heidenen binnengaat” (Rom. 11:25). We hebben dus geen reden te verwachten dat de Joden nationaal Christus zullen accepteren door de pogingen van de Christelijke kerk. De bekering van de wereld zal pas z’n voltooiing vinden nadat Israël weer in genade is aangenomen door God, en dat door hun actieve bemiddeling, zoals we weten uit andere Schriftgedeelten (Zach. 8:20-23; Jes. 2:2,3). Er is dus nog minder garantie te verwachten dat de heidense volken worden bekeerd door de pogingen van de Christelijke kerk. Immers, hoe kan de wereld bekeerd worden zolang zij die de wereld moeten bekeren zelf verblind zijn?

2. de Verlosser zal uit Sion komen (Rom. 11:26)
Het tweede oriëntatiepunt is de terugkeer van de Verlosser naar Sion: “en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem” (Rom. 11:26,27). Deze passage is parallel aan Handelingen 15:14-18, waar Jakobus zegt dat na Gods huidige handelen met de heidenen: “God van meet aan erop bedacht geweest is een volk voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen” (vs. 14), en als dat voltooid is, dan zal Jezus terugkeren: “Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen”. Dus tot die tijd zal het in zijn gevallen staat verblijven. Met 'de hut van David' wordt ongetwijfeld bedoeld de troon van David. En het herstel van Israël zal, zoals we gezien hebben, plaatsvinden voorafgaand aan hun nationale bekering, want het is in Jeruzalem dat zij “Hem zullen aanschouwen, Die zij doorstoken hebben” (Zach. 12:10).

Zo zou ik verder kunnen gaan en steun vinden in vele, zowel oud- als nieuwtestamentische schriftgedeelten. Maar ik vertrouw erop, dat er genoeg gezegd is om elke oprechte lezer te overtuigen, dat Israëls nationale bekering pas zal plaatsvinden, gelijktijdig met de wederkomst van Jezus Christus, Die de glorieuze en wonderschone “Spruit van JaHWeH” is.

De spruit, de knecht – Zacharia 3

Laten wij nu Zacharia 3:8 bekijken en onze Heere aanschouwen in zijn karakter als Knecht: “Voorwaar, zie, Ik zal Mijn Knecht, de Spruit, doen komen”.
Het is inderdaad een gegeven dat Kimchi en Rashi deze benaming doen slaan op Zerubbabel, maar zelf erkennen zij, dat oudere interpretaties onder de Joden deze benaming toepasten op de Messias. Bovendien geven Kimchi noch Rashi een goede reden om de interpretatie die zij van hun leermeesters ontvangen hadden te verlaten. Ook hier gebruikt de Targum Yonathan de titel Messias.
Om de titel 'Spruit' toe te passen op welke andere persoon ook dan de Messias, zou in tegenspraak zijn met het overeenkomstige spraakgebruik van de profeten. Immers in het commentaar op Jesaja 4:2 en Jeremia 23:6 erkent Kimchi zelf dat 'Spruit' de Messias betekent.
Bovendien stemmen de woorden niet overeen met het karakter of de omstandigheden van Zerubbabel. God zegt: “Ik zal Mijn Knecht, de Spruit doen komen” (Zach. 3:8), maar Zerubbabel was er al veel eerder en was al een prins onder hen, en zoals Abarbanel zegt: ‘na deze profetie heeft Zerubbabel noch meer koninklijke privileges, bezit of andere waardigheden ontvangen dan het reeds bezat'.

Beschuldiging

In Zacharia 3 zien we het beeld van de hogepriester Jozua, die Jeruzalem vertegenwoordigt (vs. 2), staande voor God zijn dienst te verrichten voor het altaar in “vuile klederen” (vs. 3), symbool voor innerlijke bezoedeling en satan (de Hebreeuwse betekenis wijst op de tegenstrever in een rechtszaal) “staande aan zijn rechterhand” (vs. 1), wat de gebruikelijke plaats was van de aanklager om iemand te beschuldigen. Er wordt ons niet verteld wat de beschuldigingen zijn, maar ik denk dat we in vers 3 een aanwijzing vinden: “Jozua nu was met vuile klederen bekleed”, en satan zou gezegd kunnen hebben: ‘U bent te volmaakt om met uw ogen ongerechtigheid te aanschouwen. Hoe kunt U het verdragen om te naderen en de diensten te ontvangen van hen die zo bezoedeld zijn door zonde en gerebelleerd hebben tegen U? Zij zijn slechts geschikt als kaf voor het vuur.’ De tegenstrever kan ook gefluisterd hebben in het hart van de dochter van Jeruzalem: ‘Hoe durft u zelf de Heilige Ene te naderen? Weet u niet dat zelfs de hemelen niet zuiver zijn in Zijn ogen?’

Dus, het is de kwade genius die streed tegen Israël en op zoek was naar hun vernietiging op grond van hun bezoedeling. Hij gebruikte dat als een valse aanleiding, want hij is niet degene die het kwaad echt haat, gezien het feit dat hij de oorsprong ervan is. Maar, wederom, net als hij “in twist gewikkeld was over het lichaam van Mozes” (Judas :9), werd deze aartsvijand van de gemeente van de levende God berispt en het zwijgen opgelegd. Tussen twee haakjes: sommigen (o.a. Fausset) geloven dat de tekst uit Judas, vers 9: “het lichaam van Mozes”, de Joodse gemeente betekent, waar satan tegen streed vanwege hun zonden, net zoals “het lichaam van Christus” de Christelijke kerk is.
Judas spreekt naar onze mening echter duidelijk over het letterlijke lichaam van Mozes. We lezen in Zacharia 3, vers 2: “De HERE bestraffe u, satan, ja de HERE, die Jeruzalem verkiest, bestraffe u”.

Niet dat de beschuldigingen van de satan op zich vals waren, want zelfs “de vader der leugen” (Joh. 8:44) durft in het aangezicht van de God van waarheid en rechtvaardigheid geen valse beschuldigingen uit te spreken. Het antwoord van de grote Advocaat, “de Engel des HEREN”, van wie gezegd wordt dat Hij “veler zonden gedragen en voor de overtreders gebeden heeft” (Jes. 53:12), luidde: “De HERE bestraffe u, satan, ja de HERE, die Jeruzalem verkiest, bestraffe u; is deze niet een brandhout uit het vuur gerukt?" (Zach. 3:2).
Het is waar dat, in zichzelf, de dochter van Jeruzalem bezoedeld is, vuil vanwege haar veelvuldige overtredingen, en al haar oorspronkelijke schoonheid en afkomst heeft verloren, zodat alles wat van haar is overgebleven omschreven mag worden als 'vuil' en een smeulend overblijfsel van 'brandhout' (Zach. 3:2). Maar de grote Advocaat zal gezegd hebben: ‘Heb Ik niet Mijn eeuwige liefde aan hen geschonken en hen uitgekozen tot in alle eeuwigheid? En hebben Ik niet de verschroeiende vlammen verdragen in de redding van dit brandhout uit het vuur?’

Nee, zal de grote Advocaat gezegd hebben: ‘Denkt u, dat zij voor wie Ik de vurige straf van het Goddelijk oordeel heb gesmaakt, toch verloren zullen gaan? Nee, zij zullen nooit omkomen, en “niemand zal ze uit Mijn hand roven” (Joh. 10:28). Mijn Vader, Die hen aan Mij gegeven heeft, is groter dan allen: “En Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven” (Joh. 10:28).

Rechtvaardiging

Satan wordt het stilzwijgen opgelegd door het exclusieve recht van Gods keuze, en de dochter van Jeruzalem, die vertegenwoordigd wordt door Jozua zou goed hebben kunnen zingen: “Hij is nabij, die mij recht verschaft; wie wil tegen mij een rechtsgeding voeren? Laten wij samen naar voren treden” (Jes. 50:8). Het feit, dat de schuldige 'recht wordt verschaft', houdt in dat er sprake was van deelhebben aan een misdaad. Hoe kan God rechtvaardig zijn in Zijn oordeel ten gunste van Jeruzalem, terwijl door beide partijen niet wordt ontkend dat zijn werkelijk 'vuil' (Zach. 3:3,4) is?

Hier is het antwoord: “Zie, Ik zal Mijn Knecht, de Spruit doen komen” (Zach. 3:8). Zo kan de heilige God zowel de Rechtvaardige als de Rechtvaardigmaker zijn van allen die door Hem in Christus zijn verkozen. Zijn Knecht, de Spruit lost het mysterie op. Vanuit de Persoon van de rechtvaardige Messias, zowel als door de genade van God, schijnt een alles overtreffende schoonheid dat in een volmaakte eenheid in elkaar over gaat. Bekijk het schouwspel van Getsemané en Golgotha, dat lang daarvoor minutieus was beschreven in Jesaja 53, Psalm 22 en Daniël 9:26. En zie de toorn die in al zijn kracht uitgegoten werd op Zijn rechtvaardige Knecht, Die de vreugde van God Zelf was, zodra Hij in contact met zonde kwam door het Zelf op Zich te nemen. En wie durft God te beschuldigen van enige morele medeplichtigheid behalve het te veroordelen?

Waar kunnen wij heen gaan voor een volledige openbaring van Gods tederheid, mededogen en liefde? Laten wij nog een keer naar Golgotha gaan. Overpeins in gedachten het schouwspel van de talloze onzichtbare en ontzette engelen, de wenende discipelen, en de spottende menigte. En onthoudt dat Hij Die lijdt niemand anders is dan de Eerstgeborene, de Geliefde Zoon van God. En wanneer u tot de slotsom komt dat u faalt in elke poging de grootheid van Gods liefde te meten, dat Hij Zelfs zijn eigen Zoon niet spaarde, dan zult u het uitroepen: Waarlijk God is Liefde! “Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden” (1 Joh. 4:10).

De Messias moest de Zoon van David zijn, anders kon Hij niet op de troon van zijn vader David zitten. Hij moest de Zoon van God zijn, anders zou zijn dood niet voldoende zijn voor de verzoening van onze zonden. Voor de rechtvaardiging van de mens moest Hij ook de Knecht zijn, Die voor ons de prijs van een volmaakte gehoorzaamheid aan de Vader zou betalen. Anders zou zelfs zijn dood ons niet ten goede komen, want we zouden moreel gezien nog in een toestand zijn die ons onbekwaam maakt voor de relatie met God, immers: “Gaan er twee tezamen, zonder dat zij het eens geworden zijn?” (Amos 3:3).

De zondaar kan vergeving ontvangen voor zijn zonden door het offer van Christus’ dood, maar hij is dan nog steeds een zondaar en geen heilige. Hij zou niet geschikt zijn om te zitten bij en maaltijd te vieren met de Heilige God Zelf, Die de mens uit zijn aanwezigheid verbande (Gen. 3:24). Hij zou slechts kunnen omgaan met de ongehoorzame engelen in de duistere regionen.
Het is derhalve duidelijk dat als de zondaar toegelaten wordt tot de blijde gemeenschap met de rechtvaardige God ("Hij heeft mij gebracht naar het wijnhuis" - Hoogl. 2:4), dat dit niet mogelijk is op grond van zijn eigen rechtvaardigheid. Want, ten eerste is zijn morele gesteldheid zo hopeloos, dat hij absoluut onbekwaam is om zó goed te doen dat het God behaagt (Job 15:14-16; 9:20; Spr. 20:9; Pred. 7:20; Rom. 3:11,12).

Ten tweede: als we veronderstellen dat de mens vergeving heeft ontvangen voor zijn in het verleden begane zonden, zelfs dan is hij niet in staat om Gods wil volledig te kunnen doen. Zijn dienst aan God stijgt niet in waarde door zijn vroegere ongehoorzaamheid uit te wissen. Bovendien is de gedachte dat iemand door zijn verdienste iets zou kunnen bereiken onverenigbaar met zijn positie in relatie tot God als zijn Schepper. De mens, als schepsel, is geschapen met als taak “de Here, uw God, lief te hebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand” (Deut. 6:5; Mat. 22;37) en zijn wil geheel te vervullen. Wat hij derhalve nu ook probeert, hij kan zijn huidige taak niet overtreffen. Hij is nog steeds als misdadiger (weliswaar een misdadiger die gratie gekregen heeft) ongeschikt om gemeenschap te hebben met God. Hij is een vreemdeling in de volheid van vreugde, die er in Zijn aanwezigheid is.

Laat dit duidelijk begrepen worden, want ik vrees dat er vele Christenen zijn die op dit punt verward zijn. Zij schijnen te denken, dat hoewel wij volkomen afhankelijk zijn van het volbrachte werk van Christus voor vergeving, het hun eigen goede werken zijn, die hen geschikt kunnen maken en recht verlenen de vreugde van Gods aanwezigheid hier en in het hiernamaals te smaken. Daarbij vergeten zij de woorden van hun gezegende Meester: “Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: Wij zijn onnutte slaven; wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen” (Luk. 17:10). Deze woorden sluiten met zekerheid elke verdienste uit. “Geeft het de Almachtige voordeel, dat gij rechtvaardig zijt, of gewin, wanneer gij uw weg zuiver houdt?” (Job 22:3). En, bovendien, wij zijn 'slaven', en welke slaaf spreekt met zijn heer over loon? Kunt u zich een slaaf voorstellen die het toegestaan is om aan de tafel van zijn meester te zitten en vertrouwelijke omgang met hem te hebben, zelfs nadat hij de beste werkdag van zijn leven achter de rug heeft? Toch is dit het waartoe de gelovige in Christus bevoorrecht is. Hij is geroepen om gemeenschap met God te hebben en aan te zitten aan de tafel van het “feestmaal van vette spijzen” (Jes. 25:6), waarvoor God niet alleen de voorzieningen trof, maar waar Hij Zelf aan het hoofd van de tafel zal zitten. Maar wij zijn daar niet op grond van onze eigen namen, noch is de kleding waarin we verschijnen van onszelf. Als wij uitgenodigd worden om onder vorsten aan te zitten, is dat louter op grond van onze eenheid met “de Vorst der vorsten” (Dan. 8:25), en onze geschiktheid zit niet in onszelf, maar in JaHWeH Tsidkenu (de HERE, onze Gerechtigheid), en de kleding is het 'staatsiegewaad' (Zach. 3:5) van zijn rechtvaardigheid, waarmee Hij ons bekleed. Hoe kostbaar is in dit verband de uitspraak van Jesaja 53, vers 11: “Door zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, en hun ongerechtigheden zal Hij dragen”. Door zijn volmaakte gehoorzaamheid aan de Vader, zelfs tot in de dood, heeft Christus zoveel rechtvaardigheid verkregen om “velen rechtvaardig te maken” in de aanwezigheid van God. Slechts “omdat Hij zijn leven uitgegoten heeft in de dood” (Jes. 53:12) is dat voldoende voor het feit dat “Hij een verzoening voor onze zonden is, en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld” (1 Joh. 2:2).

Ik heb al eerder gesteld dat er geen mogelijkheid is voor een mens een beroep te doen op verdienste, want als we spreken over verdiensten, moet hij op gelijke voet staan met Hem van Wie hij het claimt, en alleen de Messias stond op gelijke voet met God, want Die ons "wijsheid van God geworden: rechtvaardigheid, heiliging en verlossing” (1 Kor. 1:30 SV). En Hij Die onze rechtvaardigheid is geworden, is niemand anders dan de HERE, Die in plaats van een schepsel, de Schepper van alle dingen is (Zach. 12:1-10; Joh. 1:1-3; Kol. 1:15-20).

De Wet van God was voor knechten en niet voor zijn eigen Zoon, maar de Zoon heeft vrijwillig de gestalte van een dienstknecht aangenomen (Fil. 2:7) en was volmaakt gehoorzaam in deze vernederde staat. Gods rechtvaardigheid eiste alleen de dood van de zondaar, maar hier is de Heilige, die Zich vernederde tot een smadelijke dood. Hij alleen kan daarom spreken van verdienste, en op grond van Zijn verheven karakter en de omvang van het werk dat Hij volbracht heeft, kan Hij recht doen gelden zoveel als nodig is voor allen die door geloof in Hem verenigd zijn.
Leden van de Gemeente, uitgekozenen door God, tot u komt, niet minder dan tot Israël, de Goddelijke stem: ‘Zie, Mijn Knecht! Zie in Hem uw geschiktheid om tot Mij te naderen en u te verheugen in zijn gezegende gemeenschap. Zie! Door zijn rechtvaardigheid uw bruiloftsklederen, zonder welke u geen recht heeft op het feest! Zie Hem!’
“Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend” (Rom. 4:9). En een visioen van dezelfde rechtvaardige Knecht des HEREN deed Jesaja in vreugde uitzingen: “Ik verblijd mij zeer in de HERE, mijn ziel juicht in mijn God. Want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld” (Jes. 61:10). Na Hem aanschouwd te hebben, kon ook Paulus jubelen: “Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus' wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen, en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof” (Fil. 3:7-9). Zie op Hem, al is het als door een schemerig of zelfs verduisterd glas, houdt u voor ogen dat Hij Zich voor u vernederd heeft en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen (Fil. 2:7). Richt uw blik op Hem, Die uw Rechtvaardigheid is, en nu verhoogd is tot de rechterhand van de Majesteit in de Hoge, als een verzekering dat God een welbehagen in u heeft omwille van Zijn rechtvaardigheid (Rom. 4:25; Jes. 42:21). Roep het uit: “Welzalig de mens, wie de HERE de ongerechtigheid niet toerekent”. “God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen” (2 Kor. 5:19).

De spruit, de man – Zacharia 6

Tot slot willen we nadenken over de Messias, zoals Hij ons voorgesteld wordt in Zacharia 6, namelijk als Man. Vers 12 zegt: “Zie, een Man, Wiens naam is Spruit”. Ook hier beweren Rashi, Aben Ezra en Kimchi dat deze Spruit Zerubbabel is. Maar wederom zijn zij om voor de hand liggende, controversiële redenen, afgeweken van de leer die hen door hun leermeesters is bijgebracht. Zoals bijvoorbeeld in de Targum Yonathan waar vers 12 aldus geparafraseerd is: "Zie de Man, Messias is zijn Naam. Hij zal geopenbaard worden; en Hij zal groot worden en de Tempel van God bouwen." De Messiaanse interpretatie is ook met grote kracht verdedigd door Abarbanel, de bekrompen tegenstander van het Christendom, die de interpretatie van het grote trio Joodse commentatoren Rashi, Aben Ezra en Kimchi zeer beslist verwerpt. Hij zegt: 'Rashi heeft geschreven dat de woorden “Zie, de Man, Wiens naam is Spruit” door sommigen geïnterpreteerd is als zijnde van toepassing op de Messias. Hij bedoelt hier Yonathan, wiens interpretatie hij niet aannam, want hij voegt toe dat het bouwen waar hier over gesproken wordt, in het geheel slaat op de Tweede Tempel. Maar ik wilde, dat ik hem kon vragen, dat als deze profetie slaat op de Tweede Tempel en Zerubbabel, waarom er dan gezegd wordt: “De Man, Wiens naam is Spruit; Deze zal uit zijn plaats uitspruiten”? Inderdaad weten we dat ieder mens opgroeit tot volwassenheid, en zelfs tot ouderdom en grijze haren. Rashi, die deze tegenwerping scherpzinnig opmerkte, heeft geïnterpreteerd dat hij van koninklijk zaad afkomstig zal zijn, maar dat is niet juist, want het woord 'uitspruiten' leert nergens iets over de koninklijke familie. In elk geval zou ik hem willen vragen, dat als deze woorden gesproken worden van Zerubbabel, waarom de profeet dan toevoegt: “Hij zal de Tempel des HEREN bouwen. Ja, Hij zal de Tempel des HEREN bouwen” (Zach. 6:12). Waarom deze herhaling om één enkele gebeurtenis uit te drukken. Deze commentatoren hebben geen ander antwoord dan: Het is om de zaak te bevestigen. Maar, als dit het geval is, zou het beter zijn de woorden drie of vier keer te herhalen, want dan zou de bevestiging nog groter zijn. Ik zou hen verder willen vragen hoe zij Zerubbabel kunnen rijmen met de woorden: Hij zal met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn troon” (Zach. 6:13). Immers, hij (Zerubbabel, heeft nooit in Jeruzalem geregeerd en nooit op de troon van het koninkrijk gezeten, maar hield zich alleen bezig met het bouwen van de tempel en keerde daarna terug naar Babylon.’ (Abarbanel, Commentaar in loc).

Dr. Alexander McCaul zegt over dit gedeelte: ‘De profetie belooft vier bijzonderheden:
1. “Hij zal Priester zijn op zijn troon” (Zach. 6:13)
2. “Hij zal de Tempel des HEREN bouwen” (vs. 13)
3. “Hij zal met majesteit bekleed zijn en als Heerser zitten op zijn troon” ( vs. 13).
4. “Die verre zijn, zullen aan de Tempel des HEREN komen bouwen” (vs. 15).

Het is niet nodig om de bekende Schriftgedeelten aan te halen die bewijzen dat deze vier bijzonderheden allen karakteristieken zijn van het karakter van de Messias en van niemand anders. Het is gemakkelijk om deze karakteristieken en kenmerken te identificeren in het karakter van Jezus van Nazareth. Hij wordt in het Nieuwe Testament voorgesteld als een Hogepriester, als een Koning. En het is zeker dat de heidenen, die toen 'veraf waren' (Efe. 2:13,17) zijn majesteit hebben erkend. En wat de bouw van een tempel betreft, ook dat heeft Hij gedaan (Joh. 2:19; Efe. 2:22).’

Mens

Dat de Messias een mens moest zijn hoef ik niet te blijven bewijzen, maar ik wil er toch even bij stilstaan. Dat brengt allereerst zijn geboorte met zich mee, die, hoewel wonderbaarlijk, toch uit een Joodse maagd geschiedde (Jes. 7:14; 9:6). Ook de Evangeliën vertellen dat Jezus niet geboren werd middels het normale natuurlijke proces. Van Hem, Die het verstrooide Israël weer bijeen zou brengen en hen als een herder zou leiden, lezen we in Jeremia 31, vers 22: “de vrouw zal de man omvangen”. Het sluit ook de aard van zijn bediening, die Hij op aarde zou verrichten, in. Zijn Goddelijke natuur verschafte oneindige waarde aan het bloed dat Hij vergoot voor ons, maar het was slechts als Mens, en geboren onder de Wet, dat Hij voor God een volkomen gehoorzaamheid voor ons kon worden, en door zijn lijden en dood ons kon verlossen van “de vloek der wet door voor ons een vloek te worden” (Gal. 3:13). Zo zou de Messias aan de mens het karakter van God openbaren en hem zijn plan van redding onderwijzen. Welnu, alleen de Zoon van God kent de Vader volkomen: “Niemand kent de Vader dan de Zoon” (Matt. 11:27). Toch kon Hij slechts als de Zoon des mensen die kennis overdragen aan de mensenkinderen.

Bijgevolg zien we dat zelfs in de bedeling van de aartsvaders en het Mozaïsche tijdperk, voordat de Zoon van God werkelijk mens werd om God bekend te maken aan de zonen van Adam, Hij voortdurend verscheen in de gedaante van een man. “Zijt Gij de Man, die tot deze vrouw gesproken heeft?" was de vraag van Manoah (Richt. 13:11), en “Hij zeide: Ja”. En toch was Hij die verscheen in de gedaante van een man, niemand minder dan “de Engel des HEREN” (Richt. 13:3); “de Engel zijns aangezichts heeft hen gered. In zijn liefde en mededogen heeft Hij Zelf hen verlost” (Jes. 63:9); “De Engel des Verbonds, die gij begeert... plotseling zal Hij tot zijn tempel komen” (Mal. 3:1).

Het was noodzakelijk dat de Messias een Man was anders kon Hij niet als Hogepriester onze Advocaat en Middelaar zijn om de zaken van de mensen te vertegenwoordigen bij God: “Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen” (Hebr. 2:17); “Want wij hebben geen Hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, Die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen” (Hebr. 4:15).

Bovendien wordt, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament de Messias voorgesteld als het Hoofd van de mensheid en van de hele schepping (Jes. 53:10; Ps. 22:31). Hij is “de tweede Mens” (1 Kor. 15:47), Die “al zijn vijanden onder zijn voeten zal leggen” (1 Kor. 15:25) en heerschappij zal voeren over de hele schepping die in Adam, in zijn val, verloren was gegaan. “Ziehier Ik en de kinderen, die God Mij gegeven heeft. Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen” (Hebr. 2:13,14). Het was noodzakelijk dat ook Hij deel kreeg aan bloed en vlees en een mens werd. De schepping was oorspronkelijk beloofd aan de mens (Gen. 1:27,31; Hebr. 1:6).
Dit alles, en het feit dat de belofte aan het zaad van Abraham luidde: “en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden” (Gen. 12:3), was de reden dat de Messias niet de natuur van een engel of enig ander schepsel aannam, maar van een mens: “Hij ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham” (Hebr. 2:16).

Maar in de tekst die wij behandelen uit Zacharia 6:12,13 wordt “de Mens Christus Jezus” (1 Tim. 2:5) in een ander verband geïntroduceerd dan die al genoemd zijn. We lezen: “Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en Hij zal de Tempel des HEREN bouwen” (Zach. 6:13). En om te benadrukken wat zijn taak zal zijn, herhaalt de profeet: “Ja, Hij zal de Tempel des HEREN bouwen” (vs. 13).
Oorspronkelijk schiep God de mens om een tempel te zijn om zijn volmaaktheid en volheid te kunnen bevatten: “Toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen” (Gen. 2:7). Maar spoedig bezoedelde satan door de zonde deze tempel en maakte het niet langer mogelijk dat God in die tempel zou wonen, want “welke gemeenschap heeft het licht met de duisternis”? (2 Kor. 6:14). Maar het Vaderhart van God hunkerde naar de mens, en hoewel Hij niet meer in hen kon wonen, kon Hij wel bij hen wonen. Hij koos Israël, die Hij toestond tot Hem te naderen door het sprenkelen van bloed, waarmee Hij in in feite wees op “het bloed van een eeuwig verbond” (Hebr. 13:20) met de Messias, Die “als een Lam ter slacht geleid wordt” (Jes. 53:7) als verzoening voor de zonde. En tot Israël zei Hij, dat zij een Tabernakel moesten maken waarin Hij kon wonen.

Tempel

De Tabernakel werd gebouwd, en daarna de Tempel op de berg Moria. Maar, helaas, spoedig werd deze Tempel ook bezoedeld, en de zonde in zijn voortschrijdende macht, maakte zulke sprongen dat het zelfs in het Heilige der Heilige binnendrong.
Hierdoor was God verplicht om zijn zichtbare aanwezigheid, geheel terug te trekken, zelfs uit de door Hem gekozen plaats om te wonen. Na de vernietiging van de Eerste Tempel door de Chaldeeën onder Nebukadnezar (2 Kon. 25), bouwden de Joden een Tweede Tempel na hun terugkeer uit Babel, maar de zichtbare aanwezigheid van JaHWeH keerde daarin niet terug. Zowel rabbi Samuël Bar Juni in de Talmud (Yoma, f. 21 c. 2), en de rabbi’s Solomon en Kimchi zijn het allen eens in hun commentaren op Haggaï 1:8, dat vijf dingen die in de Eerste tempel aanwezig waren, in de Tweede ontbraken:

1. De Ark, met daarin de tafelen van het Verbond, en de cherubs die hem bedekte
2. Het vuur dat van de hemel afdaalde om de offers te verteren
3. De Heerlijkheid van de Shekinah
4. De gave van profetie, of de Heilige Geest en
5. De wonderbaarlijke Urim en Tummim.

Maar juist toen ontstond een andere tempel, niet gebouwd door de handen van mensen, van wie Paulus later schrijft: “in hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk” (Kol. 2:9). Hij, Die kwam, sprak, met het zicht op het weelderige bouwwerk, dat meer een rovershol dan een bedehuis was geworden (Matt. 21:13; vgl. Jes. 56:7; Jer. 7:11): “Breekt deze Tempel af en binnen drie dagen zal Ik hem doen herrijzen” (Joh. 2:19), en dit “sprak Hij van de tempel zijns lichaams” (Joh. 2:21).
Wie was het die zo sprak anders dan de beloofde Messias met Wiens komst de aanwezigheid van de HERE zou terugkeren tot Zijn volk? Vooruitlopend op zijn verschijning riep Jesaja het uit: “Immanuël” (Jes. 7:14; 8:8): God met ons (Matt. 1:23). “Zie, de tent (lett: tabernakel) van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen”
(Openb. 21:3); “Want de God, die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister, heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus” (2 Kor. 4:6).
Zacharia voorspelde in onze tekst dat de tempel gebouwd zou worden door “een Man, Wiens naam is Spruit”. We kunnen nog op een andere Tempel wijzen. Een tempel waarvan de Zoon des mensen niet alleen het fundament (Jes. 28:16; 1 Kor. 3:11) en “de hoeksteen” (Ps. 118:22) is, maar ook de Bouwer. Jezus zei: “Gij zijt Petrus, en op deze petra (dat wil zeggen de belijdenis van Petrus: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”) zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen” (Matt. 16:16,18). En wat is die Gemeente anders dan “de tempel van de levende God” (2 Kor. 6:16; 1 Kor. 3:16)?

Gemeente van Christus

Paulus schrijft in de Efezebrief ook nog over een tempel: “Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus Zelf de hoeksteen is. In Hem was elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, in wie ook gij gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest” (Efe. 2:19-22). Hoe schitterend is de tempel die “de Spruit” aan het bouwen is.
Hij heeft een Tempel geschapen die nu de gedachten van mensen vervuld met verwondering en verbazing. Ik verwijs naar de stoffelijke tempel van het universum. Wat een schouwspel toont ons de sterrenhemel. Hoe meer we het ontdekken, des te meer we beseffen dat we klein zijn in zijn immense grootheid, en des te meer zullen onze harten eerbiedig God aanbidden, Wiens eeuwigheid, glorie, macht en wijsheid de sterren voortdurend verkondigen in een taal die begrijpelijk is voor elk hart. Maar o, de tempel die Hij nu aan het bouwen is, zal als deze compleet is zelfs de aanbiddende engelen verbazen. En deze tempel zal, zelfs meer dan de stoffelijke tempel, de veelkleurige wijsheid Gods verkondigen: “opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden” (Efe. 3:10).

Toekomst

Er zijn nog twee andere voorbeelden waar de woorden van onze tekst wellicht op van toepassing kunnen zijn.
1. Daniël 9, vers 24. Hij spreekt daar over de komst van de Messias, en hij vermeldt dat één van de dingen die zullen gebeuren is: “Iets Allerheiligst te zalven”. Het Hebreeuwse ‘Kodesh Kodoshim’ is precies dezelfde term die toegepast wordt op het Heilige der Heiligen in de tabernakel en tempel.

Ik geloof dat we hiervan een vervulling vinden in Johannes 4. Daar wordt, in het vastgelegde verslag met de Samaritaanse vrouw, een gezegende aankondiging door onze Heiland gedaan. Een aankondiging die een keerpunt in de geestelijke geschiedenis van de wereld markeert, en een revolutie betekende in alle voorgaande gedachten van de relatie tussen mens en Schepper. Voor deze gebeurtenis was de aanbidding van God altijd verbonden aan een bepaalde plaats: “Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden, en gijlieden zegt dat Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden” (Joh. 4:20). Maar Jezus - hoewel Hij Jeruzalem prioriteit verleende als Hij het vergeleek met de berg Gerizim (Deut. 11:29; 27:12; Joz. 8:33; Richt. 9:7), en de Joden het alleenrecht verklaarde over de kennis van God, en dat zij het kanaal zijn waardoor de verlossing van God zal plaatsvinden: “want het heil is uit de Joden” (Joh. 4:22) - kondigde de tijd aan dat noch de berg Gerizim, noch Jeruzalem de plaats zou zijn om de Vader te aanbidden: “maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in Geest en in waarheid, want de vader zoekt zulke aanbidders. God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in Geest en in waarheid” (Joh. 4:23,24). Vanuit het gescheurde voorhangsel van zijn Vaders Huis in Jeruzalem, zal de Redder van de wereld de hele aarde inwijden als een onmetelijk Heilige der Heiligen.

2. Ezechiël 40-44. Ik ben ervan overtuigd, dat die tempel gebouwd zal worden onder supervisie van de Messias bij zijn tweede komst.
Maar naar welke tempel onze uitgangstekst ook verwijst, we zien de verheven bestemming van de Messias, Die betiteld moet worden als de Zoon des mensen, want in elk geval staan de poorten van de tempel open, niet alleen voor een bijzondere klasse, en niet meer exclusief voor het bevoorrechte Israël, maar voor alle mensenkinderen, Jood of heiden, zonder onderscheid.

Is het de Persoon van de Messias die in Zacharia wordt bedoeld? Het zaad van David, is ook het “zaad van de vrouw” (Gen. 3:15). En Hij, Die de heerlijkheid van Israël uitstraalt, is ook “het licht der volken” (Jes. 49:6). De levende stenen, die op het ene fundament, Jezus Christus, worden gebouwd ontwikkelen zich samen tot een heilige tempel voor God. Zij zijn niet slechts afgehakt van de achtervolgde Joden, maar zij behoren tot “alle volken en stammen en natiën en talen” (Openb. 7:9).

Er is deze dagen geen twijfel over, dat iemand denkt dat de kerk exclusief Joods is in zijn vorming, maar het is een gevaarlijke gedachte te denken dat het geheel heidens is. De heidenen hebben geen monopoliepositie gekregen, maar zijn deelgenoten met de Joden, “en gij als wilde loot daartussen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen” (Rom. 11:17). De ‘wilde olijftakken’ moeten niet botsen met de ‘natuurlijke lijftakken’, maar samen genieten van de saprijke (Rom. 11:17) dingen, die in overvloed door God geschonken zijn in Zijn genade: “Want Hij is onze vrede, die de twee één gemaakt heeft en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. En bij zijn komst heeft Hij vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren; want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader. Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus Zelf de hoeksteen is. In Hem was elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, in wie gij ook mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest” (Efe. 2:14-22).

Gezegend zij God, er is altijd een Joods element in de Gemeente van Christus geweest vanaf zijn ontstaan tot nu toe. En ik ben dankbaar te geloven dat vandaag de dag dit element sterker is dan het ooit was: “Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade” (Rom. 11:5)
Is het de tempel zoals Ezechiël die beschreef? Boven de poorten zal in ieder geval niet meer het opschrift: ‘geen vreemdeling mag binnengaan’ aangebracht worden, zoals in de oude tempel het geval was, maar vele volken zullen zeggen: “Komt laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande Zijn wegen en opdat wij Zijn paden bewandelen” (Micha 4:2).

En tot slot, is het de inwijding van de gehele aarde in een Heilige der Heiligen waarin de aanwezigheid en volheid van God woont. Dat werk kon de Messias alleen volbrengen als de Zoon des mensen, want als de Zoon van David is Hij meer verbonden met Israël en de letterlijke tempel van Jeruzalem: “Zie, een Man, Wiens naam is Spruit. Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en Hij zal de Tempel des HEREN bouwen en Hij zal met majesteit bekleed zijn en als Heerser zitten op zijn troon; en Hij zal priester zijn op zijn troon; heilzaam overleg zal er tussen hen beiden zijn... allen die verre zijn, zullen aan de Tempel des HEREN komen bouwen en gij zult weten, dat de HERE der heerscharen Mij tot u gezonden heeft. Dit zal geschieden, indien gij aandachtig luistert naar de stem van de HERE, uw God” (Zach. 6:12-15).

Duizenden lezers gingen u voor. Ondersteun AMEN. Word ook abonnee!

Pas verschenen in de Morgenrood-reeks

De Morgenroodboekjes komen uit in de Morgenroodreeks: een serie Bijbelstudieboekjes die sinds 1960 wordt uitgegeven. De in deze reeks verschenen boekjes zijn handzaam en praktisch en helpen je verder om de Bijbel beter te leren kennen.

NIEUWSTE UITGAVE: Psalm 23

Het KIND en de kinderen

"Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen, zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen" (Psalm 103:13).

In de inleiding schrijft de auteur: 'Bijbelse woorden zijn zuiver. Ze komen van God, Die heilig is. Ze vertellen geen leugens, ze zijn waar en betrouwbaar. Zijn Woord is door Zijn Geest op doordachte wijze tot zinnen gevormd. Aan de formulering is veel aandacht besteed. Het is Zijn goddelijke manier van 'zeggen' om tot ons hart te spreken'.
Vanuit deze overtuiging is dit boekje geschreven. Het bevat een boeiende en verrassende woordstudie over het woord 'kind' in met name het Nieuwe Testament. Maar behalve dat is dit boekje ook een handleiding van hoe je Bijbelstudie kunt doen. De schrijfster geeft de lezer of lezeres een kijkje in haar overwegingen en - als het ware hardop denkend - neemt zij hem of haar mee op de weg naar het resultaat van haar onderzoek.

Ook als e-book verkrijgbaar!

Info & Bestellen

Belangrijke Bijbelwoorden

Geloof - gerechtigheid - genade - uitverkiezing - verzegeling

Er zijn veel bekende woorden in de Bijbel die vaak door gelovigen worden gebruikt. Voor dit boekje hebben we er vijf uitgekozen: geloof, gerechtigheid, genade, uitverkiezing en verzegeling. Wat voor betekenis hebben ze in de Bijbel en welke plaats hebben ze in onze persoonlijke relatie met God?

In elk van de vijf hoofdstukken in dit boekje wordt één van deze onderwerpen bestudeerd. De lessen die ze ons leren, hebben onderling met elkaar te maken en draaien om een schitterend middelpunt: de genade van God. Het zicht op de werking van Gods genade in je leven - in je redding, in je praktische leven nu en in je hoop op de toekomst - doet je groeien in het begrip van Wie God voor je is.

Bekijk hier de inhoudsopgave

Ook als e-book verkrijgbaar!

Info & Bestellen

Recente uitgaven Everread Uitgevers

Naast de boekjes uit de Morgenroodreeks geeft Everread ook andere boeken uit. Wie een Everread-abonnement heeft, ontvangt naast de uitgaven in de reeks óók elke nieuwe uitgave van Everread (jaarlijks 2 á 3) met een korting van 25%!

Teken nu in op 'Schatten uit Gods Woord - 4'

Dit vierde deel uit de serie Schatten uit Gods Woord bevat - evenals de eerste drie delen - vele uiteenlopende en interessante onderwerpen. Wie de inhoudsopgave van dit boek bekijkt, heeft meteen een overzicht daarvan. Het is niet noodzakelijk om de hoofdstukken van begin tot einde te lezen. Elk hoofdstuk staat op zichzelf en kan daarom ook afzonderlijk gelezen worden.

Het algemene motto voor het uitgeven van deze serie is te lezen in Spreuken 16:20. Hier staat:

“Wie verstandig omgaat met het Woord,
zal het goede vinden,
en wie op de HEERE vertrouwt:
welzalig is hij”.

Schatten uit Gods Woord - 4 verschijnt rond 24 november 2018.

Teken hier in