Het welbehagen van God - Deel 1

Het welbehagen van God

Deel 1

In de oorspronkelijk tekst van het Oude Testament komen twee woorden voor, die vertaald (kunnen) worden met: behagen of welgevallen. In deze artikelenserie gaan we de plaatsen na waar de woorden in de grondtekst voorkomen, waarbij we ons dan richten op de vijf boeken van Mozes.

Het zal blijken dat de vijf boeken van Mozes reeds in beknopte en typologische vorm de gehele geschiedenis van de aarde vertellen, van af het begin tot en met de wederkomst van Christus, en de tijd van vrede en gerechtigheid daarna, de tijd van welbehagen. Uitgezonderd natuurlijk de tijd waarin wij nu leven: de tijd van het geheimenis, of de verborgenheid van Christus, de tijd van de gemeente die Zijn lichaam is, van het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde in de hemel.

HET BEHAGEN VAN MENSEN

Jacob

De eerste keer dat het begrip behagen in de Bijbel voorkomt is in Genesis 33:10. Daar lezen we: “Doch Jacob zeide: geenszins, indien gij mij genegen zijt, neem dan mijn gave uit mijn hand aan, omdat ik uw aangezicht gezien heb zoals men het aangezicht Gods ziet, en gij welgevallen aan mij hebt gehad.” Het zijn woorden van Jacob, die hij sprak direct na zijn verzoening met Ezau. Dat was voor hem een zaak van leven en dood. Om te weten vanuit welke beleving Jacob dit zei moeten we de context bestuderen.

Jacob is de derde aartsvader. Abraham was de eerste, de man die God uitkoos en afzonderde, om een groot volk te worden. Abraham geloofde God, en God rekende hem dat toe als gerechtigheid. De vrucht was Isaäk, de zoon van de belofte, de tweede aartsvader.
Jacob is inmiddels gezegend en de vader geworden van 11 zonen (Benjamin was nog niet geboren), de stamvaders van de twaalf stammen of volken van Israël. Jacob had evenwel nog een levensgroot, en ook levensbedreigend, probleem: Ezau. Hij was 20 jaar geleden zijn ouderlijk huis ontvlucht, nadat hij meegewerkt had aan het bedrog om het eerstgeboorterecht van zijn tweelingbroer af te pakken. Zijn naam was Jacob, dat betekent: bedrieger. Toch geloofde Jacob God, en deed hij wat Hij zei. Na 20 jaar werken voor Laban zei God dat hij terug moest keren. Laban en zijn zonen waren Jacobs tegenstanders geworden. Zij beschouwden de rijkdom van Jacob, waarmee God hem gezegend had, als diefstal. Jacob werkte zijn terugkeer uit, op zijn manier: hij vertrok heimelijk. Laban kwam hem achterna, en er ontstond een pittige (woorden)strijd. Jacob won. Hij maakte aan Laban duidelijk, dat God hem gezegend had, en het eindigde in een verbond, een niet–aanvalsverdrag, tussen Jacob en Laban. Vervolgens ging Jacob op weg richting Ezau. En God bemoedigde hem. Hij zond hem engelen tegemoet. Jacob zag hen en zei: “Dit is een leger Gods. Daarom noemde hij die plaats: Mahanaïm” (Gen. 32:2b). Mahanaïm betekent: twee legers.
Jacob vatte moed, en zond boden naar zijn broer Ezau, om hem van zijn komst te verwittigen. Hij laat zijn boden zeggen: “Zo zegt uw knecht Jacob: ik heb als vreemdeling bij Laban vertoefd en ben daar tot nu toe gebleven. En ik heb runderen, ezels en kleinvee, slaven en slavinnen verworven, en ik laat dit mijn heer meedelen om uw genegenheid te winnen” (Gen. 32:4b,5). Jacob trok zijn eigen plan. Hij was de legers alweer vergeten, en dacht: ik zal wel een deel van mijn bezit kwijt zijn, maar ik hoop het daarmee te redden, in eigen kracht dus. De boden komen terug met de boodschap: “Wij kwamen bij uw broeder, bij Ezau, en hij is reeds op weg u tegemoet, met vier honderd man bij zich.” Deze boodschap veroorzaakte een grote angst bij Jacob, maar hij ging aan het werk om zich daaruit te redden, en verdeelde zijn stoet in tweeën: als de ene aangevallen zou worden, zou de andere kunnen vluchten. Zijn vertrouwen in eigen kracht had een geduchte knauw gekregen, hij begon reeds aan vluchten te denken. Ook wendde hij zich tot God met zijn probleem, en pleitte op Zijn beloften. Daarna stelde hij vijf kudden samen en zond deze, met tussenruimten, op weg naar zijn broer als geschenk, met de gedachte: “…laat ik hem verzoenen met het geschenk dat voor mij uitgaat.” Zijn knechten moesten zeggen dat Jacob er reeds achteraan kwam, maar hij bleef die nacht nog in de legerplaats.
In die nacht bracht hij ook nog zijn vrouwen, zijn slavinnen, en zijn elf kinderen naar de overkant van de Jabbok, zodat hij alleen overbleef. Hij stelde zelfs zijn gezin, zijn vrouwen en kinderen op “als slagorde” tussen Ezau en hemzelf. Hijzelf was de laatste man, ook nog aan deze zijde van de Jabbok.
Toen Jacob naar beste kunnen, vertrouwend op eigen kracht, zijn plan getrokken had, lezen we in Genesis 23:24: “Zo bleef Jacob alleen achter, en een man worstelde met hem, totdat de dag aanbrak.” Jacob was geheel teruggeworpen op zichzelf, en de man die met hem worstelde was God. Er staat dus dat God met Jacob worstelde, en niet Jacob met God. God kon hem niet krijgen waar Hij hem hebben wilde: afzien van eigen kracht, slimheid en doelstellingen, en vertrouwen op God! Toen brak God zijn kracht: Hij sloeg hem “op zijn heupgewricht, zodat Jacobs heupgewricht ontwricht werd.” Jacob werd mank, hij kon zelfs niet meer vluchten! Toen klampte Jacob aan. Hij besefte dat hij verloren was, en dat alleen God hem kon redden. Toen God zei: “Laat Mij gaan, want de dageraad (!) is gekomen,” zei Jacob: “Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent.” Het antwoord van God is een vraag! “Hoe is uw naam?” En Jacob moest zeggen, “Jacob”, dat is: bedrieger. Denk aan zijn rol in de geschiedenis van het eerstgeboorterecht. In feite is dit de grondoorzaak van de crisis in zijn bestaan. God lost dat zondeprobleem op en zegt: “Uw naam zal niet meer Jacob luiden, maar Israël, want gij hebt met God en mensen gestreden, en gij hebt overmocht” (Gen. 23:28). God maakt Zich hiermee bekend, en toch vraagt Jacob naar Zijn naam: hij wil Hem kennen, en God zegent hem daar. En Jacob noemde die plaats – dat is de doorwaadbare plaats van de Jabbok – Pniël, wat betekent: het aangezicht van God, want, zeide hij, “ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn leven is behouden gebleven” (Gen. 23:30). Vervolgens staat er zo mooi: “En de zon ging over hem op, toen hij door Pniël getrokken was; en hij ging mank aan zijn heup.”We kunnen hierin een prachtige verwijzing zien naar Christus als de zon van de gerechtigheid. Niemand kan van nature God zien en blijven leven. Alleen als iemand op Christus ziet is er behoud.
En Jacob ging mank, dat is: niet meer in eigen kracht. Hij kreeg als het ware een doorn in het vlees. Het was een andere Jacob toen hij daardoor getrokken was. Hij zag onder ogen waarvoor hij gesteld was: Ezau en zijn vierhonderd man! (Gen. 33:1). Hij ging naar zijn gezin, dat hij gisteren eigenlijk in de steek gelaten had en stelde zich op aan het hoofd, en ging naar Ezau toe, hij wachtte niet meer af. En terwijl hij ging, boog hij zeven maal ter aarde: hij vernederde zich. Toen gebeurde het: de verzoening van Jacob en Ezau kwam tot stand! Een emotionele gebeurtenis.

Hierna wordt de eerste woordenwisseling na twintig jaar beschreven: Ezau vraagt en Jacob antwoordt en getuigt: “Wie hebt gij daar bij U?” En hij antwoordde: “De kinderen, die God in Zijn genade aan Uw knecht geschonken heeft” (Gen. 33;5b). Vervolgens naderden en bogen zijn slavinnen en haar kinderen, Lea met haar kinderen en tenslotte Rachel en Jozef.
Daarna vraagt Ezau (vs. 8): “Wat bedoelt gij met die gehele schare, die ik ontmoette? En hij zeide: om de genegenheid van mijn heer te winnen”. Jacob zegt precies wat de bedoeling was! Voor Ezau was het geschenk, een veestapel, niet nodig: Ik heb al veel, mijn broeder, wat gij hebt, blijve het uwe (vs. 9). Jacob dringt er dan bij Ezau op aan om toch zijn geschenk te aanvaarden, maar dan gebaseerd op de nieuwe situatie, als dank voor de verzoening, die hij ziet als de redding van zijn leven, van Godswege. We citeren nogmaals Genesis 33:10 en ook vers 11: “Doch Jacob zeide: Geenszins, indien gij mij genegen zijt, neem dan mijn gave uit mijn hand aan, omdat ik Uw aangezicht gezien heb, zoals men het aangezicht Gods ziet en gij welgevallen aan mij gehad hebt. Neem toch mijn geschenk dat U gebracht werd, want God is mij genadig geweest en ik heb alles. En hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.”
Jacob wil zijn dank betuigen voor de redding van zijn leven: hij had God gezien en was behouden, in de afgelopen nacht, en hij had Ezau gezien (als het ware God, want hij dacht: dit wordt mijn dood) en was in leven gebleven.
Van Ezau zegt Jacob: gij hebt een welgevallen aan mij gehad, en van God: God is mij genadig geweest, en ik heb alles. Hij geeft God de eer voor de verzoening. Er is blijkbaar een nauw verband tussen “een welgevallen hebben aan” en “genadig zijn.” Dit zullen we nader onderzoeken in de volgende teksten waar ´behagen´ voorkomt.

Een belangrijke les uit de eerste tekst en de context daarvan is: iets doen in eigen kracht is voor God absoluut niet acceptabel. Eigen kracht wil zeggen: handelen vanuit de menselijke natuur, je beste beentje voorzetten. Onze beste eigenschappen opzoeken, onze ´gaven´ in dienst stellen van God, daarmee aan de slag gaan, is daarom niet de weg. Bij God komt eerst horen, luisteren, geloven, en dan doen wat Hij zegt, zelfs als je daarvoor de gave niet hebt. Zie bijvoorbeeld Mozes: hij moest spreken tot de Farao, maar hij was zwaar van tong, d.w.z. hij had niet de gave van het woord. Hij moest eenvoudigweg zeggen wat God zei.

Gods kracht wordt in zwakheid volbracht. Ook Paulus getuigt hiervan: “Moet er geroemd worden, dan zal ik van mijn zwakheid roemen” (2 Kor. 11:30). Hij ontvangt net als Jacob een blijvend teken in zijn leven: “Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des satans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen. Driemaal heb ik de Here hierover gebeden, dat hij van mij zou aflaten. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, smaadheden, noden, vervolgingen, benauwenissen ter wille van Christus, want als ik zwak ben, ben ik machtig” (2 Kor. 12:7b-10).

Meer artikelen in de serie "Het welbehagen van God":

Duizenden lezers gingen u voor. Ondersteun AMEN. Word ook abonnee!

Nieuw in de Morgenroodreeks

De Morgenroodboekjes komen uit in de Morgenroodreeks: een serie Bijbelstudieboekjes die sinds 1960 wordt uitgegeven. De in deze reeks verschenen boekjes zijn handzaam en praktisch en helpen je verder om de Bijbel beter te leren kennen.

Bijbel en/of Wetenschap

De relatie tussen Bijbel en wetenschap is er één van water en vuur. Wie zegt dat hij gelooft dat God alles geschapen heeft en dat Adam en Eva echt bestaan hebben, wordt vanuit het 'andere kamp' wat meewarig aangekeken ... 'Gelóóf jij dat nog?'.
Dat geloof ook in de wetenschap een grote rol speelt, vergeet men voor het gemak maar even. Maar het is toch echt zo: eerst wordt bedacht hoe het zou kunnen zijn (theorie, aannames, uitgangspunten, geloof) en vervolgens worden daar de bewijzen bij gezocht en zegt men: zie je wel?!
Wanneer wetenschap ons dichter bij de waarheid brengt, is dat alleen maar goed. In de afgelopen zes eeuwen is er binnen de wetenschap echter een proces werkzaam waarbij de Bijbel geleidelijk buitenspel is gezet.

Dit boekje is geschreven met de rotsvaste overtuiging, dat de Bijbel het Woord van God is. Het is een geactualiseerde versie van het Morgenroodboekje Bijbel & Wetenschap (2013).

Ook als e-book verkrijgbaar!

Meer info & bestellen 'Bijbel en/of Wetenschap'

MOZES

Mozes heeft een belangrijke plaats in het plan van God. Zijn naam komt meer dan achthonderdvijftigmaal voor in de Bijbel. Er is niemand in de Bijbel tot wie de HEERE zo vaak en veel gesproken heeft. Zijn lange leven is verdeeld in drie perioden van veertig jaar. Aan het einde van zijn leven mocht hij zijn volk tot aan de grens van het beloofde land brengen.
Mozes wordt onder meer genoemd: de man Gods, Zijn dienaar, Zijn uitverkorene en profeet. God sprak "tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een man met zijn vriend spreekt" (Exod. 33:11a). En andersom noemde Mozes de HEERE: Mijn God!

Ook als e-book verkrijgbaar!

Meer info & bestellen 'MOZES'

De NAMEN in de Bijbel - 3e druk

In de Bijbel hebben namen een belangrijke betekenis. Vaak leren zij ons iets over het wezen en de aard van een persoon of een plaats. Bijbelse geschiedenissen krijgen meer 'kleur' wanneer we de betekenis kennen van de namen, die er in voorkomen.

Een 'saai' hoofdstuk als Genesis 5 gaat opeens leven. We begrijpen misschien iets meer van de grootte en het karakter van Abrahams geloof in Genesis 22, als we weten wat de betekenis is van Moria. De geschiedenis van de geboorte van Benjamin (Genesis 35) blijkt, wanneer we de betekenis van de namen in dit gedeelte onderzoeken, een grote profetische diepgang te hebben met betrekking tot de Heere Jezus Christus, Die ook in Bethlehem (= broodhuis) geboren werd ...

Zo zijn er vele voorbeelden te noemen, waarbij de betekenis der namen meer zicht geeft op de rijke inhoud van Bijbelse geschiedenissen. Met dit boek kunt u het zelf ontdekken.

Dit is inmiddels de derde druk van deze unieke uitgave!

  • Met een complete lijst met alle namen in het Oude en Nieuwe Testament; 
  • Voorzien van de Hebreeuwse en Griekse grondtekst (en de uitspraak daarvan);
  • De namen van God staan in de spelling van de Statenvertaling, de Herziene Statenvertaling, de NBG-’51-vertaling en de NBV;
  • Elke naam is voorzien van een betekenis, dan wel waarschijnlijke betekenis; 
  • Inclusief een complete lijst met alle schriftplaatsen waar de namen voorkomen, waar nodig uitgesplitst in verschillende personen, plaatsen, etc.;
  • Prachtige en stevige uitvoering;
  • Mooi om te hebben, maar ook heel mooi om weg te geven!

Meer info & bestellen 'De NAMEN in de Bijbel''