Het welbehagen van God - Deel 4

Het welbehagen van God

Deel 4

In de oorspronkelijk tekst van het Oude Testament komen twee woorden voor, die vertaald (kunnen) worden met: behagen of welgevallen. In deze artikelenserie gaan we de plaatsen na waar de woorden in de grondtekst voorkomen, waarbij we ons dan richten op de vijf boeken van Mozes.

Welgevallig zijn voor het aangezicht van de Here

De volgende twee plaatsen waar gesproken wordt over welgevallig zijn vinden we in het begin van het boek Leviticus. De betekenis is cruciaal en opent een wijds perspectief. Leviticus is het boek van de wet. Het gaat over de offers en degenen die offeren. De naam van het boek is de naam die is gebruikt in twee belangrijke vertalingen: de Septuagint (Grieks) en de Vulgata (Latijn). In de Hebreeuwse tekst wordt de naam van het boek gevormd door de eerste drie woorden van het boek: “En de HERE riep” (SV). Het woordje “en” volgt op het boek Exodus, over de uittocht en verlossing van Israël uit Egypte, en laat zien dat het daarna doorgaat. De verlossing is het begin, daarna komt er een heel leven met God, wandelen op Zijn wegen: Vreest God en geeft Hem eer! Hoe heeft God niet de uittocht bewerkt met ontzagwekkende daden. Israël behoefde slechts te luisteren naar Zijn roepstem, te geloven, en te gaan.

En Zijn roepstem is doorgegaan! Ten diepste geldt dat de verering van Christus. De ceremoniële wetten zijn een schaduwbeeld van het werk van Christus. Voor ons, die zoveel meer weten, geldt dit onverkort: ons bestaan na de verlossing is: zijn tot lof van Zijn heerlijkheid (Efe. 1, driemaal). Psalm 65:5: “Welzalig hij, die Gij verkiest en doet naderen, opdat hij wone in Uw voorhoven.”

Laten we beginnen met het lezen van Leviticus 1:1-4: “De HERE nu riep Mozes en sprak tot hem uit de tent der samenkomst: Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: wanneer iemand onder u de HERE een offergave brengen wil, dan zult gij uw offergave brengen van het vee, zowel van het rundvee als van het kleinvee. Indien zijn offergave een brandoffer van rundvee is dan zal hij een gaaf dier van het mannelijk geslacht brengen. Naar de ingang van de tent der samenkomst zal hij het brengen, opdat hij welgevallig zij voor het aangezicht des HEREN. Dan zal hij zijn hand op de kop van het brandoffer leggen; zo zal het, hem ten goede, welgevallig zijn, om over hem verzoening te doen.”

Tent der samenkomst

God sprak uit de tent der samenkomst. Het Hebreeuwse woord voor tent is hier hetzelfde als in Exodus 33:7. Mozes zette deze tent op buiten de legerplaats, na het gebeuren met het gouden kalf. Er wordt iets gezegd over de mensen die daar naar toe gaan: “Mozes nu nam een tent en spande haar voor zich uit buiten de legerplaats, en noemde haar tent der samenkomst. Ieder die de HERE zocht, ging uit naar de tent der samenkomst, die buiten de legerplaats was.” Dat was toen de plaats waar de individuele Israëliet de Here kon vinden. Later is dat de tabernakel geworden, weer binnen de legerplaats, in de verbondsrelatie. Na de tabernakel kwam de tempel. Indien Israël God verliet en andere goden naliep, kwam er scheiding. God verliet de tempel, en deze werd afgebroken, en Israël ging in ballingschap. In wezen geldt deze situatie nu ook, vanaf het einde van de Handelingenperiode. Israël is nu, voor een deel, in een deel van het land, op eigen kracht. Deze kracht moet nog gebroken worden, zie de geschiedenis van Jacob bij Pniël! Welke voorzieningen zijn er nu, in plaats van de tent der samenkomst? In elk geval hebben we nu het heilige Woord dat God gesproken heeft voor de gehele wereld. In Handelingen 28:28 staat dat het heil Gods naar de volken gezonden is. Het heil van God is Christus, het levende Woord, dat niet meer gebroken wordt. Hij is de Opgestane, Die altijd leeft. Wat is nu de ´tent der samenkomst´? Paulus zegt: “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is gezeten aan de rechterhand Gods”(Kol. 3:1). Christus is nu in de hemel, de woonplaats van God. Dat is nu de ´tent der samenkomst´, een onvergankelijk gebouw!

Als we teruggaan naar de tent der samenkomst in Exodus 33, lezen we in vers 11b: ”Maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, een jonge man, week niet uit de tent.” Dit was een schaduwbeeld van de toekomstige werkelijkheid voor Israël. Wij weten dat de verhoogde Christus nu in de hemel der hemelen troont, waar Hij het Hoofdschap over alle dingen in de hemel heeft ontvangen (Efe. 1:20-23). Daar staat ook dat Hij gegeven is als Hoofd aan de gemeente waarvan wij deel uitmaken. Daar is ons vaderland, ons burgerschap. Daar mogen wij naar de geest verkeren (Fil. 3:20).
Als iemand nu de Heer wil zoeken, moet hij dus boven zijn, waar Hij nu is. Dat is de roeping van boven (Fil. 3). Dat heeft in geen enkel opzicht iets met aardse dingen te maken, zoals Israël dat wel heeft, of met het Koninkrijk der hemelen met zijn aardse zegen, bijvoorbeeld voor het lichaam van mens of dier, voor de natuur, voor de opbrengst van het land, en voor een rechtvaardige samenleving. De tijd waarin de prediking van het Koninkrijk gold, was de tijd van de aanwezigheid van Christus op aarde, en de tijd daarna toen de apostelen gemachtigd waren Zijn Koninkrijk op aarde en Zijn spoedige wederkomst te prediken, tot aan het einde van de Handelingenperiode.
Mozes moest spreken tot de Israëlieten. Deze dingen gelden dus niet één op één voor ons. We kunnen er echter wel veel van leren.

Offer

Het is een persoonlijke boodschap: “Wanneer iemand onder u de HERE een offergave brengen wil … ,” maar het gaat ook van die persoon uit! “Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en een Beloner is voor wie Hem ernstig zoeken” (Hebr. 11:6). Het offer moet uit zijn levende have zijn, een echt offer. Vervolgens gaat het (vs. 3) over het brandoffer van rundvee. Het moet een gaaf dier zijn van het mannelijk geslacht. Het brandoffer wordt in zijn geheel verbrand, daar wordt niet van gegeten. Het brandoffer is een type van het offer van Christus, Die zonder zonde was, zonder gebrek.
De brenger van de offergave moest het brengen naar de ingang van de tent der samenkomst. Dat is de plaats waar God is, en ieder die God zocht ging daar naar toe. Hij nadert tot God, hij zoekt zijn toevlucht tot God. Een actie van de brenger van het offer. Zó moet het gaan, en dan staat er: “opdat hij welgevallig zij voor het aangezicht des HEREN.” De SV heeft hier: “naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN.” Het verschil tussen de eerste vier woorden van de NBG-vertaling en de SV is opmerkelijk, eigenlijk een tegenstelling. In de SV is sprake van een welgevallen bij degene die offert, terwijl de NBG-vertaling spreekt van een welgevallen bij God! De SV is juist (letterlijke vertaling), en wordt prachtig bevestigd in Psalm 40, zoals we zullen zien. In de NBG-vertaling staan de woorden in de aanvoegende wijs (wens), en in de lijdende (passieve) vorm. Dubbel fout dus. Lijdelijkheid is een woord dat in het woordenboek van een Christen niet voorkomt. De Engelse AV vertaalt hier: “Offer it of his own voluntary will.” Degene die het offer brengt, doet dit van harte, hij wil het zelf graag, het is zijn lust, hij staat er achter. Hij doet dit niet omdat een ander het graag wil, of omdat de traditie dit voorschrijft. Het is belangrijk om dit te onderkennen.
Vers 3 eindigt met de woorden: “voor het aangezicht des HEREN.” Het gaat hier dus weer over God zien van aangezicht tot aangezicht en behouden blijven, de woorden die Jacob sprak in Pniël, na de worsteling die God met hem had. Dit is de beloning van hen die God ernstig zoeken.
In vers 4 wordt nog dieper ingegaan op de betekenis van het brengen van het brandoffer. De brenger van het offer zal zijn hand op de kop van het brandoffer leggen. Hij vereenzelvigt zich met het offerdier. Hij legt als het ware zijn zonden op het gave dier. Het dier wordt gedood, en de brenger van het offer, die God zocht, blijft leven! “Zó zal het, hem ten goede, welgevallig zijn om over hem verzoening te doen.”
Blijkens het boek Hebreeën is het brandoffer een schaduwbeeld van het offer van Christus. Hij is gedood om ons het leven te kunnen geven. Als we daarop onze hand leggen, aan de voet van het kruis vallen, dat is tevens God de volle eer geven voor Zijn genade, dan behaagt het Hem om verzoening over ons te doen, ja, om ons volkomen te verzoenen.
De hand op het offerdier leggen, heeft te maken met het afleggen van de zonde, van de oude mens, en het aandoen van de nieuwe mens, Christus.

Leviticus 1:5 zegt vervolgens dat de brenger van het offer het offerdier zelf moest slachten. Het dier waarop als het ware de zonden waren gelegd. In Kolossenzen 3:5 lezen we: “Doodt dan de leden die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht.” En in vers 9-11: “Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd, en de nieuwe aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper, waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar of Scyth, slaaf of vrije, maar alles en in allen is Christus.”

Aan het einde van Leviticus 1:9 staat: “en de priester zal alles op het altaar in rook doen opgaan, als een brandoffer, een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HERE.” Dit wordt ten diepste gezegd van het offer van Christus. Het is een volkomen verzoening.

Samenvatting en bevestiging

Leviticus is het middelste boek van de vijf boeken van Mozes, de Thora, de Wet. Leviticus 1:1-9, over het brengen van het brandoffer, kunnen we weer zien als de samenvatting van deze wet, die getuigt van Christus, van Zijn offer voor de verzoening van de gehele wereld (1 Joh. 2:2). Hierin laat God ons zien hoe Hij mensen behoudt, en laat leven voor Zijn aangezicht. Dit is de wet ten leven. De wet bestaande uit de Tien Geboden is de wet ten dode, die zonde doet kennen, en veroordeelt tot de dood. Geen natuurlijk mens kan aan deze wet voldoen. De weg van het brandoffer, het gaan naar het kruis, het met Hem sterven, is voor allen die God zoeken, de weg van behoud, van verzoening.

Een negatieve bevestiging vinden we in Leviticus 17:1-9. Wie deze weg niet wil gaan zal het leven niet vinden. De conclusie vinden we in de verzen 8 en 9: “Ieder van het huis Israëls of van de vreemdelingen, die in uw midden vertoeven, die een brandoffer of slachtoffer offert, maar dat niet naar de ingang van de tent der samenkomst brengt om het de HERE te bereiden, die zal uit zijn volksgenoten uitgeroeid worden.”

Een positieve bevestiging vinden we in het eerste vers van Psalm 119, een zaligspreking: “Welzalig zij, die onberispelijk van wandel zijn, die in de wet des HEREN gaan.” Het gaat hier over wandelen en gaan, twee uitdrukkingen voor hetzelfde principe. Beide zinsdelen geven ook hetzelfde principe aan: op de goede weg zijn. DE weg is Christus: Niemand komt tot de Vader dan door Mij. Het is naderen tot God. Hiervan spreekt ook Jesaja 55:6-9: “Zoekt de HERE, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de HERE, dan zal Hij Zich over hem ontfermen – en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig. Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten , en uw wegen zijn niet Mijn wegen, luidt het Woord des HEREN. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen en Mijn gedachten dan uw gedachten.”
Om te gaan gebruik je je benen. Daarover lezen we in Psalm 147:10 en 11: “Hij heeft geen welgevallen aan de kracht van het paard, noch behagen in de benen van de man; de HERE heeft welbehagen in wie Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen.” God heeft geen welbehagen in mannelijke (natuurlijke) kracht of in de kracht van een paard, waarmee we op eigen benen staan, en eigen wegen gaan, het triumfalisme van het schepsel, maar in mensen die God zoeken, en het van Hem verwachten.

Een prachtige samenvatting vinden we in Kolossenzen 1:19,20: “Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken, en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed van Zijn kruis, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.” Ook hier leren en zien we dat Christus de vervulling is van het brandoffer. Hij was de Persoon, Die het brandoffer bracht. Hij was het offer, het Lam van God, en het heeft God behaagd door Zijn dood alles volkomen te verzoenen. Dit kan niet duidelijker gezegd worden dan in Psalm 40 en Hebreeën 10. Indrukwekkende woorden die we eigenlijk nu meteen persoonlijk moeten gaan lezen. In stille verwondering lezen we daar – en onze gedachten vermenigvuldigen zich over dit prachtige licht van Gods Woord – over de man (Man) die God zoekt, die op Hem zijn vertrouwen stelt en op niemand anders! Hij gaat naar de “tent der samenkomst,” met verwachting: “Vurig verwachtte ik (Ik) de HERE.” En ook over de betekenis van de offers (alle offers behalve het vredeoffer): In Psalm 40:7-9 lezen we: “In slachtoffer en spijsoffer hebt gij geen behagen - Gij hebt mij geopende oren gegeven; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet gevraagd. Toen zeide ik: Zie ik kom; in de boekrol is over mij geschreven; ik heb lust om Uw wil te doen, mijn God, Uw wet is in mijn binnenste.” De verzen 8 en 9 zijn de ultieme bevestiging van Leviticus 1:3 en 4. Christus kwam en zocht Zijn hemelse Vader “Ik heb lust om Uw wil te doen” is het centrale gedeelte. Letterlijk staat er: “Het behaagt Mij om Uw behagen te doen!” Dit is een samenvatting van de verzen 3 en 4 van Leviticus in Eén Persoon. Het is God, Die alles werkt! Van Abraham en Isaäk, op weg naar het offeren van Isaäk, lezen we ook in Genesis 22:6b: “Zo gingen die beiden tezamen.” “Het behaagt Mij” is de vertaling van het Hebreeuwse woord waarbij het gaat over het onderwerp, de Persoon Zelf. De vertaling in Leviticus 1:3 volgens de Statenvertaling is daarom precies goed: “naar zijn welgevallen,” waarbij ´zijn´ slaat op de persoon die offert. In Hebreeën 10:7 worden de woorden “Ik heb lust” nog versterkt. Daar staat: “Zie, hier ben Ik” Hij stelde Zichzelf, Zijn gehele wezen, volledig beschikbaar: “Mij geschiede naar Uw wil”: de ware Dienstknecht.
”Uw behagen” is de vertaling van het Hebreeuwse woord waarbij het om de bedoeling gaat, zoals het ook in Leviticus 1:4 staat: “dan zal het welgevallig zijn om over hem verzoening te doen.”

Dit is de blijde mare van Gods gerechtigheid. Lees ook Romeinen 3:21-26. Over het bloed van Zijn kruis wordt geschreven in Psalm 40: 13-16. Als we al deze geweldige woorden lezen en tot ons door laten dringen, kunnen de vreugde en de blijdschap niet wegblijven! Psalm 40:17: “Laten in U jubelen en zich verheugen allen die U zoeken; laten wie Uw heil liefhebben bestendig zeggen: de HERE is groot!”

In de woorden van Leviticus 1:3 en 4 vinden we feitelijk en in enkele volzinnen de volledige afbakening van wat God leert over de verzoening!

Meer artikelen in de serie "Het welbehagen van God":

Duizenden lezers gingen u voor. Ondersteun AMEN. Word ook abonnee!

Pas verschenen in de Morgenrood-reeks

De Morgenroodboekjes komen uit in de Morgenroodreeks: een serie Bijbelstudieboekjes die sinds 1960 wordt uitgegeven. De in deze reeks verschenen boekjes zijn handzaam en praktisch en helpen je verder om de Bijbel beter te leren kennen.

NIEUWSTE UITGAVE: Psalm 23

Het KIND en de kinderen

"Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen, zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen" (Psalm 103:13).

In de inleiding schrijft de auteur: 'Bijbelse woorden zijn zuiver. Ze komen van God, Die heilig is. Ze vertellen geen leugens, ze zijn waar en betrouwbaar. Zijn Woord is door Zijn Geest op doordachte wijze tot zinnen gevormd. Aan de formulering is veel aandacht besteed. Het is Zijn goddelijke manier van 'zeggen' om tot ons hart te spreken'.
Vanuit deze overtuiging is dit boekje geschreven. Het bevat een boeiende en verrassende woordstudie over het woord 'kind' in met name het Nieuwe Testament. Maar behalve dat is dit boekje ook een handleiding van hoe je Bijbelstudie kunt doen. De schrijfster geeft de lezer of lezeres een kijkje in haar overwegingen en - als het ware hardop denkend - neemt zij hem of haar mee op de weg naar het resultaat van haar onderzoek.

Ook als e-book verkrijgbaar!

Info & Bestellen

Belangrijke Bijbelwoorden

Geloof - gerechtigheid - genade - uitverkiezing - verzegeling

Er zijn veel bekende woorden in de Bijbel die vaak door gelovigen worden gebruikt. Voor dit boekje hebben we er vijf uitgekozen: geloof, gerechtigheid, genade, uitverkiezing en verzegeling. Wat voor betekenis hebben ze in de Bijbel en welke plaats hebben ze in onze persoonlijke relatie met God?

In elk van de vijf hoofdstukken in dit boekje wordt één van deze onderwerpen bestudeerd. De lessen die ze ons leren, hebben onderling met elkaar te maken en draaien om een schitterend middelpunt: de genade van God. Het zicht op de werking van Gods genade in je leven - in je redding, in je praktische leven nu en in je hoop op de toekomst - doet je groeien in het begrip van Wie God voor je is.

Bekijk hier de inhoudsopgave

Ook als e-book verkrijgbaar!

Info & Bestellen

Recente uitgaven Everread Uitgevers

Naast de boekjes uit de Morgenroodreeks geeft Everread ook andere boeken uit. Wie een Everread-abonnement heeft, ontvangt naast de uitgaven in de reeks óók elke nieuwe uitgave van Everread (jaarlijks 2 á 3) met een korting van 25%!

Teken nu in op 'Schatten uit Gods Woord - 4'

Dit vierde deel uit de serie Schatten uit Gods Woord bevat - evenals de eerste drie delen - vele uiteenlopende en interessante onderwerpen. Wie de inhoudsopgave van dit boek bekijkt, heeft meteen een overzicht daarvan. Het is niet noodzakelijk om de hoofdstukken van begin tot einde te lezen. Elk hoofdstuk staat op zichzelf en kan daarom ook afzonderlijk gelezen worden.

Het algemene motto voor het uitgeven van deze serie is te lezen in Spreuken 16:20. Hier staat:

“Wie verstandig omgaat met het Woord,
zal het goede vinden,
en wie op de HEERE vertrouwt:
welzalig is hij”.

Schatten uit Gods Woord - 4 verschijnt rond 24 november 2018.

Teken hier in