Agape – onvoorwaardelijke liefde
In het Nieuwe Testament is liefde vaak de vertaling van het Griekse woord agape. Dat woord is natuurlijk wel bekend, maar wat betekent het eigenlijk? Het duidt op een wilsmatige, onvoorwaardelijke en offervaardige liefde. Het gaat om een liefde die gericht is op het welzijn van de ander, ook wanneer die ander dat eigenlijk niet verdient of geen liefde teruggeeft. Agape heeft te maken met toewijding en goedwilligheid. Je zou het ook met Bijbelse woorden kunnen omschrijven als barmhartigheid en goedertierenheid.
Phileo – vriendschappelijke liefde
Daarnaast kent het Nieuwe Testament ook een ander woord voor liefde, phileo. Dat heeft meer te maken met genegenheid, vriendschap en een persoonlijke of emotionele band. Iemand die vriendelijk voor ons is, zullen we gevoelsmatig vaak gemakkelijker liefhebben dan iemand die lelijk tegen ons doet. Dat is meer de sfeer van phileo. Dit woord wordt in de Bijbel ook wel in verband met de Heere God gebruikt. Het is dus geen minderwaardig woord, ofzo, maar het zijn verschillende woorden in de grondtekst, en ze hebben (dus) ook een verschillende betekenis.
Wanneer het echter gaat over de liefde die van God uitgaat, staat agape sterk op de voorgrond. Johannes 3:16 is daarvan een bekend voorbeeld: “Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.” Hier gaat het niet om de liefde van God voor de wereld als ‘systeem’, (zie 1 Joh. 2:15-17), maar voor de wereld als de plek waar mensen wonen. God heeft Zijn eniggeboren Zoon (over)gegeven, opdat wie in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. En met die liefde heeft ook de uitdrukking ‘de liefde van Christus’ alles te maken.
Wanneer we de brieven van Paulus in chronologische volgorde lezen, komen we die uitdrukking eerst tegen in 2 Korinthe 5, vervolgens in Romeinen 8 en ten slotte in Efeze 3.
* 2 Korinthe 5
De eerste keer wordt de uitdrukking gebruikt in verband met de verzoening. Paulus schrijft in vers 14 en 15: “Want de liefde van Christus dringt ons, die tot dit oordeel gekomen zijn, als Eén voor allen gestorven is, dan zijn zij allen gestorven. En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven en opgewekt is.”
Even verder zegt hij dat, als iemand in Christus is, hij een nieuwe schepping is. Het oude is voorbijgegaan en alles is nieuw geworden. En dan schrijft Paulus nog: “En dit alles is uit God, Die ons met Zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft.” De oorsprong ligt niet bij de mens, want -dat is belangrijk- dit alles is uit God!
De eerste keer (chronologisch gezien) dat de uitdrukking ‘de liefde van Christus’ voorkomt, houdt het dus verband met de boodschap van de verzoening en het getuigenis dat daaraan verbonden is. Paulus zegt dat de liefde van Christus hem dringt om die boodschap te brengen.
God heeft in Christus iets heel bijzonders gedaan. Hij was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende. Dat heeft te maken met de houding die God ten opzichte van deze wereld heeft aangenomen. Hij rekent de overtredingen niet toe, maar heeft de zonde(n) als het ware doen aanlopen op Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus. Hij is gekomen om voor de zonden te sterven en is vervolgens opgestaan uit de dood. Daarom is de boodschap van de verzoening een werkelijkheid geworden. In vers 20 schrijft Paulus: “Wij zijn dan gezanten namens Christus, alsof God Zelf door ons smeekt. Namens Christus smeken wij: laat u met God verzoenen” (beter: wees met God verzoend).
De gedachte is eenvoudig: aanvaard die verzoening. God is in de verzoening gaan staan en aan die houding ligt Zijn liefde ten grondslag: “Alzo lief heeft God de wereld gehad…”
De uitnodiging van het Evangelie is dan ook: ontvang die verzoening uit Gods hand en dank Hem ervoor. Daarin wordt Gods liefde zichtbaar. Niet de mens nam het initiatief, God deed dat.
Johannes zegt het in zijn eerste brief zo: “Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon zond als verzoening voor onze zonden” (1 Joh. 4:10). Hij schrijft zelfs een paar keer: “God is liefde.” Dat is nog iets anders dan dat God liefheeft. Liefhebben is een activiteit. Maar wanneer er staat dat God liefde is, heeft dat te maken met Zijn wezen, met Wie Hij is. Natuurlijk zijn dat dingen die ons verstand te boven gaan, maar het is wel wat de Bijbel zegt.
Innerlijke drang
Voor Paulus was dat een werkelijkheid geworden die zijn hele leven bepaalde. De liefde die in Christus is, de liefde van Christus, was de drijvende kracht achter zijn bediening. Daarom is het ook zo belangrijk dat Paulus niet zegt: “de liefde voor Christus dringt ons.” Dat zou betekenen dat zijn eigen liefde voor Christus hem motiveerde. Natuurlijk hield Paulus van de Heer, maar hier staat iets anders: de liefde van Christus dringt ons. Dat gaat verder. Dat gaat dieper. De oorsprong van zijn dienst ligt niet in hemzelf, maar in Christus. Dat zien we ook terug in zijn levensgeschiedenis. Paulus is op weg naar Damascus om gelovigen gevangen te nemen namens de Joodse, religieuze elite in Jeruzalem. Maar onderweg wordt hij door de Heere gegrepen. En een van de eerste dingen die hij zegt is: “Heer, wat wilt U dat ik doen zal?” Daarmee legt hij zijn leven als het ware in de handen van de Heer. Die houding blijft hem kenmerken in de rest van zijn leven.
In Handelingen 20 lezen we bijvoorbeeld dat Paulus, gebonden door de Geest, naar Jeruzalem reist. Het was dus niet zomaar een reis die hij zelf had bedacht. God had daarin de leiding. Paulus wist niet precies wat hem daar te wachten stond, behalve dat de Heilige Geest van stad tot stad getuigde dat boeien en verdrukkingen hem zouden treffen.
Dat was bepaald niet gemakkelijk. Toch liet hij zich daar niet door beheersen, zoals we kunnen lezen: “Maar ik maak mij nergens zorgen over, en ook acht ik mijn leven niet kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, evenals de bediening die ik van de Heere Jezus ontvangen heb om te getuigen van het Evangelie van Gods genade” (Hand. 20:24). Paulus wist dat, sinds hij Christus had leren kennen, Hij ook de Heer van zijn leven was geworden. Dat betekende niet dat zijn weg gemakkelijk zou zijn. Integendeel, hij wist dat er moeiten en verdrukkingen zouden komen. Maar juist omdat hij geloofde dat de Heer zijn leven leidde, was hij daar niet voortdurend bezorgd over. Foto p 04-07 Liefde-boek-1
God werkt het willen en het werken
Opvallend is ook de uitspraak dat hij zijn eigen leven niet kostbaar achtte. Ons leven is ons natuurlijk dierbaar. We doen er alles aan om het te bewaren en zo goed mogelijk in stand te houden. Maar Paulus zegt in feite: het gaat uiteindelijk niet om mij; het gaat om de Heer en om wat Hij wil.
Hiermee komen we terecht bij Filippenzen 2. Daar schrijft Paulus: “Werk aan uw zaligheid met vrees en beven” (vs. 12). Deze vertaling is verwarrend. Het is niet: werk aan uw zaligheid, alsof iemand door eigen werken behouden zou kunnen worden. Behouden/zalig worden is een zaak van genade. Genade betekent juist dat je iets ontvangt waarvoor je niet gewerkt hebt.
De bedoeling is dus: werk uw behoudenis, uw zaligheid, uit. Of, zoals de NBG-’51 vertaling heeft: ‘Blijf … uw behoudenis bewerken met vreze en beven’, dat is: in afhankelijkheid van God. Leef vanuit wat je in Christus ontvangen hebt. Word daarin niet spastisch ofzo, leg jezelf geen stress op. Stel je gewoon open voor God, zoals Paulus dat ook zei: Heer, wat wilt u dat ik doen zal?
Daarna volgt in vers 13 de reden: “Want het is God, Die in u werkt, zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.” Dat is een bijzondere zin. God werkt niet alleen het doen, maar zelfs het willen. Wanneer iemand in Christus in een goede verhouding tot God gekomen is, dan mag hij zich openstellen voor Zijn leiding. In alle eenvoud kan hij of zij dan zeggen: “Heer, wat wilt U dat ik doen zal?” En verder mag je het aan Hem overlaten. Als de Heere iemand voor een bepaalde taak wil gebruiken, kan en zal Hij ook het verlangen daartoe inwerken door Zijn Geest. Dat voorkomt dat een gelovige voortdurend angstvallig moet zoeken naar Gods wil. Soms wordt bijvoorbeeld gevraagd: hoe weet ik of ik in de zending moet? Als je een verlangen hebt om de Heer te dienen mag je dat aan Hem bekendmaken, maar je hoeft er verder niet krampachtig mee om te gaan. Als God iemand op een bepaalde plaats wil hebben of in Zijn dienst wil gebruiken, is Hij bij machte om dat duidelijk te maken. Hij is Degene Die zowel het willen als het werken in ons werkt. Dat geeft rust. God heeft Zijn werk niet afhankelijk gemaakt van onze grillen, onze angst, onze zwakheid, onze mooie en lelijke dingen, ons doen en laten. Ook gelovigen blijven mensen met tekortkomingen. Maar God werkt in alle dingen “overeenkomstig de raad van Zijn wil” (Efe. 1:11). Hij doet het. Hij werkt het uit, zoals hij dat ook bij Paulus deed.
Gods verzoening
Terug in 2 Korinthe 5 lezen we over de kern van de verzoeningsboodschap: “Eén is voor allen gestorven, dus zijn zij allen gestorven.” Daarin ligt de gedachte dat de schepping dood is vanwege de zonde. En dan staat er dat: “… opdat zij die leven niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven en opgewekt is” (vs. 15).
De vraag is dan: hoe komen mensen tot leven? Het antwoord is: door het Evangelie. Door de boodschap van de verzoening, de boodschap van Gods liefde en genade. Door te geloven in Christus, zoals we al zagen in Johannes 3, vers 16: God heeft Zijn Zoon gegeven, “opdat wie in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.” Het gaat dus om geloof.
In 2 Korinthe 5:19 staat dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoende en hun overtredingen hun niet toerekende. Vervolgens heeft Hij het woord van de verzoening in het hart van Paulus en de zijnen gelegd. Daarom zijn zij gezanten namens Christus. In die door God tot stand gebrachte verzoening komt de liefde van God c.q. van Christus tot uitdrukking. En die liefde dringt Paulus en de zijnen om de boodschap te brengen en mensen uit te nodigen tot het heil.
In Romeinen 3 schreef Paulus: “Alle mensen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God” (vs. 23). Maar God heeft gerechtigheid geopenbaard in Christus. Hij kwam in deze wereld als Mens. In 1 Korinthe 15 wordt Hij de laatste Adam en de tweede Mens genoemd. Adam heeft gezondigd. Door hem kwam de zonde in de wereld en door de zonde de dood. Dat alles heeft zich voortgezet in het menselijke geslacht. Christus kwam vervolgens als de tweede Mens. Hij nam als het ware de hele erfenis van Adam en diens nageslacht op Zich. Hij leefde op aarde in volkomen gehoorzaamheid aan God. Zijn leven was volledig in overeenstemming met Gods wil. Zijn houding was er een van overgave en afhankelijkheid: “Vader, niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.” Er was geen zonde in Hem. Hij had niets verkeerd gedaan. Toch werd Hij als een misdadiger gekruisigd. Hij bleef trouw tot het einde. En aan het einde van Zijn bediening kon Hij zeggen: “Het is volbracht.” Eén stierf voor allen. In 2 Korinthe 5:21 schrijft Paulus: “Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.”
Dat is het wonder van Gods genade. Het oordeel is voltrokken in de Zoon. Wanneer wij in Hem geloven, worden wij op grond van Zijn volbrachte werk rechtvaardig verklaard. Daarom blijft er maar één ding over: geloof dat, aanvaard het, ontvang het van God en dank Hem ervoor!
* Romeinen 8
Dit is, chronologisch gezien, de tweede keer dat Paulus spreekt over ‘de liefde van Christus’.
Romeinen 8 vormt als het ware de conclusie van alles wat Paulus in de eerste zeven hoofdstukken heeft uiteengezet. Aan het einde vraagt hij: “Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen?” (vs. 31). Het antwoord is simpelweg: “Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?”
Dat God vóór ons is, is zichtbaar geworden in wat Hij in Christus gedaan heeft. God heeft zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven.
Die twee woorden ‘eigen Zoon’ zijn best wel speciaal. Als je het letterlijk vertaalt, staat er: de Zoon van Zichzelf. De gedachte daarbij is eigenlijk dat God Zijn Zoon gaf en daarmee ook Zichzelf. We lazen dat natuurlijk ook al in 2 Korinthe 5: God verzoende in Christus de wereld met Zichzelf. Ook hierin herkennen we de liefde, de agape, van God!
En dan vraagt Paulus: hoe zal Hij ons met Hem ook niet alle dingen schenken? Dat betekent dat Gods genade veel verder gaat dan alleen behouden worden of nieuw leven ontvangen. God schenkt in Christus veel meer. De Heer Jezus zei al tegen zijn volksgenoten, als de Herder: “Ik ben gekomen, opdat jullie leven hebben en overvloed” (Joh. 10:10). En dat is wat Paulus hier ook met zoveel woorden zegt. Wel moeten die ‘alle dingen’ gezien worden in het licht van Gods plan. In de Bijbel zien we dat God met verschillende groepen en volkeren handelt: met de mensheid, met Israël, met de Gemeente. Alles heeft in dat plan zijn eigen plaats. Zo gaan Romeinen 9 tot en met 11 over Israël. Paulus stelt daar de vraag of God Zijn volk heeft verstoten. Zijn antwoord is: nee. Israël is terzijde gesteld, en God zal de draad met dat volk op Zijn tijd weer opnemen. Zijn beloften zullen worden vervuld, want “… de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk” (Rom. 11:29). God komt niet terug op wat Hij heeft beloofd.
In Romeinen 8 klinkt de vraag: “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?” Het antwoord is simpel en tegelijk indrukwekkend: niets! Helemaal niets: “Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel kan ons scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heer.” De liefde van Christus is dus ten diepste de liefde van God Zelf. God is liefde en Hij heeft Zichzelf in Christus geopenbaard, gemanifesteerd.
* Efeze 3
Ten slotte komen we bij de derde keer dat de uitdrukking ‘de liefde van Christus’ in de Bijbel voorkomt, namelijk in Efeze 3:19. De brief aan de Efeziërs behoort tot de zogenoemde late brieven van Paulus. Hij schreef de brief tijdens zijn gevangenschap in Rome (Hand. 28). Daarin spreekt hij over het geheimenis dat hem geopenbaard is en over de bijzondere plaats van de Gemeente, het Lichaam van Christus, in Gods plan.
In Efeze 3:8 en 9 zegt Paulus: “Mij, de allerminste van alle heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en allen te verlichten, opdat zij mogen begrijpen wat de gemeenschap aan het geheimenis inhoudt, dat door de eeuwen heen verborgen is geweest in God …”
Het is geweldig wat hier staat. Dit gaat niet over de volken, noch over Israël, maar over de Gemeente, het Lichaam van Christus. Die Gemeente heeft in het plan van God een bijzondere positie ontvangen, namelijk in de hemelse gewesten, boven alles verheven, in Christus (lees over die hemelse gewesten in AMEN 187, pagina 8).
Daarom zegt Paulus vervolgens, in vers 14 en 15: “Om deze reden buig ik mijn knieën voor de Vader van onze Heere Jezus Christus, naar Wie elk geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt …” Het laatste is met andere woorden gezegd: alles komt uit God voort. Logisch, want hij is de Schepper.
Paulus bidt dat de gelovigen naar de rijkdom van Gods heerlijkheid met kracht gesterkt zullen worden door Zijn Geest in de innerlijke mens. Niet in de eerste plaats de buitenkant, maar het innerlijke, geestelijke leven.
Vervolgens bidt hij: “Opdat Christus door het geloof in uw harten woont en u in de liefde geworteld en gefundeerd bent, opdat u ten volle zou kunnen begrijpen met alle heiligen wat de breedte en lengte en diepte en hoogte is, en u de liefde van Christus zou kennen …”
Dat is het doel van alles wat Paulus geschreven heeft. Dat de gelovigen gaan verstaan hoe geweldig het is om te behoren tot de Gemeente, het Lichaam van Christus, en welke positie zij in Hem hebben ontvangen.
Dat gaat ons verstand ver te boven. En toch is het werkelijkheid. Niet op grond van onze eigen prestaties, maar op grond van Gods liefde en genade. Dat je met Christus de positie aan de rechterhand van God hebt ontvangen. De allerhoogste positie, misschien moeten we zeggen: de positie van de Allerhoogste. Onvoorstelbaar resultaat van Gods onvoorwaardelijke liefde in Christus.
Over het kennen van de liefde van Christus schrijft Paulus iets opmerkelijks: “… en de liefde van Christus zou kennen, die de kennis te boven gaat.” Wij mogen dus iets kennen dat de kennis te boven gaat. We kunnen het niet met ons verstand doorgronden. Het gaat om een kennen dat voortkomt uit de gemeenschap met God en Zijn Woord. Door het lezen en bestuderen van Gods Woord groeit er iets in het geestelijke leven. We gaan steeds meer ontdekken Wie God is, hoe groot Hij is, wat Zijn plan is en welke plaats wij daarin ontvangen hebben.
Paulus zegt vervolgens: “... opdat u vervuld zou worden tot heel de volheid van God.” Ook dat gaat ons verstand te boven. In de Kolossenzenbrief schrijft hij dat de volheid van God lichamelijk in Christus woont en dat de gelovigen in Hem tot die volheid gekomen zijn. Iemand zal zeggen: daar kan ik met mijn verstand niet bij. En dat klopt. Daarom zegt Paulus ook in vers 20 en 21: “Hem nu Die bij machte is te doen ver boven alles wat wij bidden of denken, overeenkomstig de kracht die in ons werkzaam is, Hem zij de heerlijkheid in de gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot in alle eeuwigheid. Amen.”
God is bij machte te doen wat ver boven onze verstandelijke vermogens, ja zelfs boven ons bidden en denken uitgaat. Zo kan de liefde van Christus, die voortkomt uit God, Die liefde is, en met ons beperkte menselijke verstand niet te bevatten is, toch deel worden van ons (geestelijk) leven. Dat gebeurt door het geloof in Gods Woord. Door eenvoudig te zeggen: Heer, zoals U het zegt, zo is het. Dat hangt niet af van ons gevoel en ook niet van hoe de wereld er uitziet en wat er allemaal gaande is om ons heen. Het heeft te maken met de relatie met onze hemelse Vader en met de zekerheid dat we Hem toebehoren. Als we Hem zo hebben leren kennen en ons afhankelijk (willen) stellen van Hem, mogen we wandelen met een glorieuze hoop, die niet beschaamd zal worden “… omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest” (Rom. 5:5 ). Onderwijl mogen we, net als Paulus, zeggen: ‘Heer, wat wilt U dat ik doen zal?’ En dan is Hij Degene Die zowel het willen als het werken in ons uitwerkt. Hij gaat met ons Zijn weg. Over bergen en door dalen, ja, dat wel. Maar uiteindelijk voert die weg naar Zijn heerlijkheid, de heerlijkheid die Hij vanuit Zijn grote liefde in Christus tot stand heeft gebracht. Daarvoor kunnen wij Hem alleen maar danken, loven en prijzen!
Bijbelmagazine