De slotwoorden van Handelingen

De slotwoorden van Handelingen

Aan het einde van Handelingen onderwijst Paulus in zijn gevangenschap ongehinderd het Koninkrijk van God en Jezus Christus. Gods zaligheid is voortaan zonder onderscheid beschikbaar voor alle mensen! Hiermee sluit de 'geschiedschrijving', waarin Israël een voorrangspositie innam, (voorlopig) af. En… hoe ging het toen verder?

Het slot van Handelingen laat zien dat Paulus het Koninkrijk van God predikte en onderwijs gaf over de Heere Jezus Christus “met alle vrijmoedigheid, ongehinderd” (Hand. 28:31). Hoewel hij gevangen zat, werd hem niets in de weg gelegd om het Woord te verkondigen. Er was ook geen beperking meer om ‘eerst de Jood’ met het evangelie te bereiken. Paulus “ontving allen die naar hem toe kwamen” (Hand. 28:30 en 31). De zaligheid van God was voortaan beschikbaar voor alle mensen, zonder onderscheid (Hand. 28:28; Tit. 2:11; vgl. Kol. 3:11). Hiermee sluit de ‘geschiedschrijving’ waarin Israël een voorrangspositie innam, (voorlopig) af.

De reden van Paulus’ gevangenschap
In het boek Handelingen spreekt Paulus verschillende keren over de reden van zijn gevangenschap. 

  • Voor de Raad: “Mannenbroeders, ik ben een Farizeeër, en een zoon van een Farizeeër. Ik word geoordeeld over de hoop en de opstanding van de doden” (Hand. 23:6). 
  • Tegenover stadhouder Felix: “Ik heb hoop op God – zij zelf verwachten het ook – dat er een opstanding van de doden zal zijn van zowel rechtvaardigen als onrechtvaardigen” (Hand. 24:15; zie ook vers 21).
  • Voor koning Agrippa: “En nu sta ik hier en word geoordeeld over de hoop op de belofte die door God aan de vaderen gedaan is” (Hand. 26:6; zie ook de verzen 7, 8, 22 en 23). 
  • In Rome: “Want om de hoop van Israël heb ik deze boeien om” (Hand. 28:20). 

Zijn gevangenschap hield dus nauw verband met Israëls hoop, de beloften aan de vaderen en de opstanding van de doden.
In Rome ontdekte Paulus dat zijn gevangenschap niet alleen een reden had, maar ook een doel. Kolossenzen 4:3 zegt: “Bid meteen ook voor ons dat God voor ons de deur van het Woord opent, om van het geheimenis van Christus te spreken, om welke oorzaak ik ook gebonden ben.” Efeze 6:19 en 20: “Bid ook voor mij, opdat mij het woord gegeven wordt bij het openen van mijn mond, om met vrijmoedigheid het geheimenis van het Evangelie bekend te maken, waarvan ik een gezant ben in ketenen, opdat ik daarin vrijmoedig mag spreken, zoals ik moet spreken.” Deze twee teksten laten ook zien hoe belangrijk gebed is voor de voortgang van de prediking van het geheimenis van Christus! Paulus brengt het directe verband naar voren tussen de voorbede en de uitwerking daarvan.

Afkeer van de boodschap van Paulus
Tijdens het schrijven van de tweede Timotheüsbrief zat Paulus dus voor de tweede keer gevangen, opnieuw in Rome. Dat blijkt uit wat hij over Onesiforus schrijft: “Integendeel, toen hij in Rome aangekomen was, heeft hij mij ijverig gezocht, en hij heeft mij gevonden” (2 Tim. 1:17). Twee verzen eerder worden we bepaald bij een ander groot verschil tussen de boodschap die hij vóór zijn gevangenschappen bracht en de boodschap die hij tijdens zijn gevangenschappen op last van de Heere Zelf naar buiten moest brengen. Eigenlijk is het vooral een verschil in gevolg van deze predikingen.
In de Handelingentijd mocht Paulus zich verheugen in een groot gehoor, maar later is dat compleet veranderd. Over zijn werk in Efeze lezen we: “Maar toen sommigen verhard werden en ongehoorzaam bleven, en tegenover de menigte kwaadspraken van de weg van de Heere, ging hij bij hen weg, en hij zonderde de discipelen af en sprak dagelijks in de school van een zekere Tyrannus. En dit gebeurde twee jaar lang, zodat allen die in Asia woonden, het Woord van de Heere Jezus hoorden, zowel Joden als Grieken” (Hand. 19:9 en 10). Twee jaar lang kon de apostel dagelijks getuigen. We mogen aannemen dat velen in Asia ook daadwerkelijk tot geloof kwamen (vgl. Hand. 19:17, 18, 20 en 26).
Volgen we Paulus in zijn bediening, dan zouden we normaalgesproken moeten uitkomen bij de boodschap van het geheimenis. Daarbij horen allerlei dingen die vóór de openbaring ervan nooit in Gods Woord bekendgemaakt waren. Voor het eerst lezen we onder meer over Christus als Hoofd van het Lichaam, over de nieuwe mens en over de wederverzoening. En over het feit dat de gelovige met Christus is opgewekt, dat gelovigen in de hemel gezet zijn en delen in dezelfde positie als Christus, en dat zij daar gezegend zijn met alle geestelijke zegen.¹ (voetnoot onder dit artikel). Hier is dus meer aan de hand dan ‘hetzelfde evangelie in andere woorden’. Zo eenvoudig ligt het blijkbaar niet.
Vóór zijn gevangenschap kon Paulus zich op de Schriften beroepen en van daaruit de Christus verkondigen. Konden de gelovigen de Schriften zelf onderzoeken “of die dingen zo waren” (Hand. 17:11), later konden zij dat niet meer en moesten ze slechts geloven wat Paulus verkondigde en schreef. Die boodschap bevatte waarheden die tot dan toe verborgen waren geweest. Wat dat betreft, zouden wij het zo makkelijk moeten hebben, omdat deze dingen voor ons al bijna tweeduizend jaar zwart-op-wit vastliggen.
Hoe het ook zij, in Paulus' tijd was er sprake van een 'massale' afkeer van zijn boodschap. Hij schrijft in 2 Timotheüs 1, vers 15: “Dit weet u dat allen die in Asia zijn, zich van mij afgekeerd hebben.” In de Kolossenzenbrief riep hij de gelovigen nog op zich niet te laten afbrengen “… van de hoop van het evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is in de hele schepping die onder de hemel is, waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben” (Kol. 1:23). Ook de Kolossenzen woonden in Asia, evenals de lezers van de Efezebrief. 
Vijf of zes jaar later moest Paulus schrijven dat allen in Asia zich van hem hadden afgekeerd. Wat een enorm lijden moet dit voor de apostel geweest zijn; dat de boodschap, waarin Gods genade in z'n grootst mogelijke vorm geopenbaard wordt en waarbij de gelovigen op de meest rijke manier gezegend worden, niet aanvaard werd. En dat men zich in groten getale van de boodschapper daarvan afkeerde.

Schaam u dan niet!
Tegen deze achtergrond is Paulus’ oproep aan Timotheüs om zich niet te schamen heel begrijpelijk en tegelijk opmerkelijk. Begrijpelijk vanwege zijn grote zorg om de voortgang van de boodschap die de Heere op zijn hart gelegd had. Maar ook opmerkelijk, gelet op wat hij precies schrijft: “Schaam u dan niet voor het getuigenis van onze Heere, en ook niet voor mij, Zijn gevangene, maar lijd met mij verdrukking om het Evangelie, overeenkomstig de kracht van God” (2 Tim. 1:8).
Opvallend is dat Timotheüs zich niet alleen niet voor het getuigenis van de Heere moet schamen, maar evenmin voor die van Paulus, “Zijn gevangene”. Met het eerste kunnen de meeste gelovigen wel instemmen. Wie zou zich immers voor de Heere willen schamen? Maar hoe staat het met het zich niet schamen voor Paulus? Al enkele jaren na de bekendmaking van het geheimenis door middel van de gevangenisbrieven, moesten velen al niets meer van hem hebben. Men keerde zich van hem af (2 Tim. 1:15) en liet hem in de steek (vgl. 2 Tim. 4:16).
Helaas moeten we vaststellen dat Paulus’ boodschap ook in onze tijd lang niet bij alle gelovigen in een helder licht staat. Ja, sommigen lijken zelfs een afkeer te hebben van zijn verkondiging. Het lijkt alsof men allerlei excuses en argumenten zoekt om maar niet te hoeven leven vanuit de wonderlijke positie die God de gelovige in deze tijd geeft.
Het begint al bij het getuigenis van onze Heere: Zijn dood en opstanding en Zijn verlossingswerk, op grond waarvan het behoud ons uit genade wordt toegerekend. Maar daarna gaat het verder. Wij moeten ook weten waartoe wij behouden zijn! Voor die waarheid moeten we in deze periode van Gods plan bij Paulus, Zijn gevangene, zijn.
Vergelijk hiermee 1 Timotheüs 2:4, waar Paulus schrijft over God, “Die wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis van de waarheid komen.” Het eerste houdt verband met het getuigenis van onze Heere; het tweede met de waarheid die voor deze tijd geldt. Het getuigenis van de Heere strekt zich in feite uit tot in Paulus’ bediening. Het zijn niet Paulus' eigen verzinsels, maar dat wat hij op last van de Heer Zelf moest verkondigen.

Gods verborgen voornemen
Die boodschap omvatte zaken die God Zich al vóór de tijden der eeuwen had voorgenomen: “Hij heeft ons zalig gemaakt en geroepen met een heilige roeping, niet overeenkomstig onze werken, maar overeenkomstig Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen, maar nu is geopenbaard door de verschijning van onze Zaligmaker, Jezus Christus, Die de dood tenietgedaan heeft, en het leven en de onvergankelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie” (2 Tim. 1:9 en 10).
God had in dat vroege stadium dus al genade gegeven en eeuwig leven beloofd. Paulus schrijft daarover in Titus 1, vers 2: “de hoop op het eeuwige leven, dat God, Die niet liegen kan, vóór de tijden der eeuwen beloofd heeft. En Hij heeft op de door Hem bestemde tijd Zijn Woord geopenbaard, door de prediking, die aan mij toevertrouwd is overeenkomstig het bevel van God, onze Zaligmaker.” Letterlijk spreekt Paulus hier over de niet-liegende God. Hij is immers de Waarheid!

Aan het einde van de Handelingentijd bleek dat Gods verbondsvolk niet inging op de dringende oproep tot berouw en bekering (Hand. 3:19-21). God hoefde toen geen noodgreep toe te passen. Zijn verborgen plan trad in werking: een voornemen dat Hij al had opgevat voordat Israël bestond, ja, voordat er ook maar een mens was. Vanaf het moment dat Hij Zijn Woord is gaan openbaren, heeft God dit plan verborgen gehouden. Pas tijdens Paulus’ gevangenschap maakte Hij het bekend (Efe. 3:8 en 9; Kol. 1:26).
De kern van deze boodschap is dat God Zich niet door een verbond aan gelovigen verbindt, maar hen in Christus tot één Lichaam vormt, waarvan Christus het Hoofd is.
Hetzelfde Griekse woord voor ‘afkeren’ (Gr. apostrephō) dat in 2 Timotheüs 1:15 wordt gebruikt, vinden we ook in 2 Timotheüs 4:4 en Titus 1:14. In die teksten gaat het om mensen die zich van de waarheid afkeren. Wie zich in deze tijd afkeert van het getuigenis van de Heere én van Paulus, Zijn gevangene, keert zich feitelijk af van de waarheid. Zo iemand zal de genade van God dan ook niet in waarheid leren kennen (vgl. Kol. 1:6).

Voetnoot
¹ Zie voor uitvoerige info het Morgenroodboek: ‘Het geheimenis bekendgemaakt’ (hs. 6), ISBN 90-6694-255-X.

Duizenden lezers gingen u voor. Ondersteun AMEN. Word ook abonnee!

Nieuw in de Morgenroodreeks

De Morgenroodboekjes komen uit in de Morgenroodreeks: een serie Bijbelstudieboekjes die sinds 1960 wordt uitgegeven. De in deze reeks verschenen boekjes zijn handzaam en praktisch en helpen je verder om de Bijbel beter te leren kennen.

Bijbel en/of Wetenschap

De relatie tussen Bijbel en wetenschap is er één van water en vuur. Wie zegt dat hij gelooft dat God alles geschapen heeft en dat Adam en Eva echt bestaan hebben, wordt vanuit het 'andere kamp' wat meewarig aangekeken ... 'Gelóóf jij dat nog?'.
Dat geloof ook in de wetenschap een grote rol speelt, vergeet men voor het gemak maar even. Maar het is toch echt zo: eerst wordt bedacht hoe het zou kunnen zijn (theorie, aannames, uitgangspunten, geloof) en vervolgens worden daar de bewijzen bij gezocht en zegt men: zie je wel?!
Wanneer wetenschap ons dichter bij de waarheid brengt, is dat alleen maar goed. In de afgelopen zes eeuwen is er binnen de wetenschap echter een proces werkzaam waarbij de Bijbel geleidelijk buitenspel is gezet.

Dit boekje is geschreven met de rotsvaste overtuiging, dat de Bijbel het Woord van God is. Het is een geactualiseerde versie van het Morgenroodboekje Bijbel & Wetenschap (2013).

Ook als e-book verkrijgbaar!

Meer info & bestellen 'Bijbel en/of Wetenschap'

Psalm 4 - Een avondlied

De slotwoorden van Psalm 4 zijn bekend: "In vrede zal ik gaan liggen en weldra slapen, want U alleen, HEERE, doet mij veilig wonen". David werkt in deze psalm naar deze vredige rust toe. Voor hij zich kan overgeven aan de slaap roept hij God aan en schrijft hij over zijn benauwdheid en doet hij een beroep op Gods genade. Ondanks alle tegenstand roept hij op te vertrouwen op de HEERE. In het licht van Gods aangezicht geniet hij van de blijdschap die God overvloedig in zijn hart gegeven heeft.
Zie hier de inhoudsopgave van dit boekje.

Ook als e-book verkrijgbaar!

Meer info & bestellen 'Psalm 4 - Een avondlied'

De NAMEN in de Bijbel - 3e druk

In de Bijbel hebben namen een belangrijke betekenis. Vaak leren zij ons iets over het wezen en de aard van een persoon of een plaats. Bijbelse geschiedenissen krijgen meer 'kleur' wanneer we de betekenis kennen van de namen, die er in voorkomen.

Een 'saai' hoofdstuk als Genesis 5 gaat opeens leven. We begrijpen misschien iets meer van de grootte en het karakter van Abrahams geloof in Genesis 22, als we weten wat de betekenis is van Moria. De geschiedenis van de geboorte van Benjamin (Genesis 35) blijkt, wanneer we de betekenis van de namen in dit gedeelte onderzoeken, een grote profetische diepgang te hebben met betrekking tot de Heere Jezus Christus, Die ook in Bethlehem (= broodhuis) geboren werd ...

Zo zijn er vele voorbeelden te noemen, waarbij de betekenis der namen meer zicht geeft op de rijke inhoud van Bijbelse geschiedenissen. Met dit boek kunt u het zelf ontdekken.

Dit is inmiddels de derde druk van deze unieke uitgave!

  • Met een complete lijst met alle namen in het Oude en Nieuwe Testament; 
  • Voorzien van de Hebreeuwse en Griekse grondtekst (en de uitspraak daarvan);
  • De namen van God staan in de spelling van de Statenvertaling, de Herziene Statenvertaling, de NBG-’51-vertaling en de NBV;
  • Elke naam is voorzien van een betekenis, dan wel waarschijnlijke betekenis; 
  • Inclusief een complete lijst met alle schriftplaatsen waar de namen voorkomen, waar nodig uitgesplitst in verschillende personen, plaatsen, etc.;
  • Prachtige en stevige uitvoering;
  • Mooi om te hebben, maar ook heel mooi om weg te geven!

Meer info & bestellen 'De NAMEN in de Bijbel''