Wat de toekomst brengen moge

Wat de toekomst brengen moge

Volgens Hebreeën 11:1 is het geloof een vaste grond van de dingen die we hopen en het bewijs van de zaken die we niet zien. Dat betekent dat het geloof twee aspecten in zich heeft, die aantonen dat het om onzienlijke dingen gaat. De hoop of toekomstverwachting vormt dus een belangrijk onderdeel van het geloof…

Het verschil tussen beide aspecten is, dat dit onzichtbare enerzijds iets is wat er nu nog niet is - de hoop - en anderzijds iets is wat er nu wel is - maar dat letterlijk onzichtbaar is. Zoals in de intro gezegd: De hoop of toekomstverwachting vormt een belangrijk onderdeel van het geloof. Vandaar dat daar ook veel over 'te doen' is onder christenen.
Nu is het natuurlijk de vraag hoe onze toekomst eruit ziet. Wat is onze hoop en wat is de verwachting die we mogen hebben. In dit artikel vindt u een weergave van hoe ik meen dat de gelovige van vandaag - in deze huidige periode van de verborgenheid - de toekomst mag verwachten. Mogelijk dat dit niet geheel aansluit bij de toekomstverwachting van de lezer. Maar uiteindelijk gaat het er niet om dat een bepaalde visie moet worden aangehangen, maar dat we - ieder voor zich - trouw zijn aan het licht dat we van de Heere vanuit Zijn Woord hebben ontvangen.

Diverse toekomstverwachtingen in de Bijbel
Als het hierboven gaat over 'onze toekomst', dan wordt daarmee bedoeld hoe wij, die deel uitmaken van het Lichaam van Christus, de toekomst mogen verwachten. Het is belangrijk om wat dat betreft eerst het uitgangspunt vast te stellen, dat alles te maken heeft met de vraag: tot wie richt de Heere Zijn Woord? Voor Israël is een bepaalde toekomst weggelegd; zo heeft de Heere ook voor de volkeren een toekomst weggelegd en ook het Lichaam van Christus mag zich in een bepaalde hoop verblijden. In dit alles is het belangrijk om te kijken tot wie de Heere spreekt en in welke context Hij dit doet.

Na de hemelvaart
Met betrekking tot de laatstgenoemde groep van gelovigen - het Lichaam van Christus - is het heel belangrijk om te weten wanneer er in de Bijbel voor het eerst sprake is van dat Lichaam. Hiervoor moeten we terug naar de tijd die door het boek Handelingen beschreven wordt. Over deze tijd kunnen we - kort samengevat - zeggen dat de Heere bezig was om met Zijn volk Israël een nieuw verbond te sluiten. Dat zou de vervulling zijn van wat al door - onder anderen - Jeremia was aangekondigd (Jer. 30 en 31). Nadat de Heere Jezus Christus naar de hemel was gegaan, werd meteen de verwachting gewekt dat Hij (snel) zou terugkeren. In het Oude Testament werd zowel de komst in vernedering als die in verheerlijking immers als één geheel gezien! In Handelingen 1:11 lezen we: "Deze Jezus, Die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze terugkomen als u Hem naar de hemel hebt zien gaan". Petrus zegt tien dagen later tegen zijn Joodse volksgenoten: "Kom dus tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden uitgewist worden en er tijden van verkwikking zullen komen van het aangezicht van de Heere, en Hij Jezus Christus zal zenden ..." (Hand. 3:19 en 20a).
Alles wat er gedurende de Handelingentijd gebeurde, zoals dat in het boek Handelingen beschreven is, staat in het teken van die (weder)komst, die tegelijk de bekrachtiging zou zijn van het nieuwe verbond. Van de gelovigen (uit Israël) in die dagen was ook meteen duidelijk dat zij deel hadden gekregen aan het nieuwe verbond (zie bijv. Hand. 3:25 en 26; 2 Kor. 3:1-6; Hebr. 10:16 en vergelijk Rom. 7:1-4). Dat de wederkomst snel verwacht werd, blijkt uit de brieven die in die tijd geschreven zijn. Zo zegt Paulus in 1 Thessalonicenzen 4: "Want dit zeggen wij u met een woord van de Heere, dat wij die levend zullen overblijven tot de komst (Gr. parousia = aanwezigheid) van de Heere, de ontslapenen beslist niet zullen voorgaan" (vs. 15, zie ook vs. 17). In dit gedeelte wijst de apostel op de hoop (in die dagen) dat de ontslapen gelovigen zouden opstaan in de (toe)komst van de Heere. Dat zou allemaal niet meer zo lang duren, want hij verwachtte het als levende ("wij die levend zullen overblijven") nog mee te zullen maken. In Hebreeën 10:37 lezen we: "Want: Nog een heel korte tijd en Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven". Jakobus schrijft in hoofdstuk 5:7 en 8: "Wees daarom geduldig, broeders, tot de komst van de Heere. Zie, de landbouwer verwacht de kostbare vrucht van het land, en heeft daarbij geduld, totdat het de vroege en late regen zal hebben ontvangen. U moet ook geduldig zijn en uw hart versterken, want de komst van de Heere is nabij". En zo zijn er meerdere teksten die wijzen op de snel te verwachten wederkomst van de Heere in die dagen.

De verantwoordelijkheid voor het afwijzen van het heil
Op zich is het opvallend dat de Heere in die periode zo duidelijk openbaarde dat Zijn komst niet lang op zich zou laten wachten, wat overigens meer in overeenstemming was met de Oudtestamentische verwachting dan met het gegeven dat het thans al weer tweeduizend jaar duurt. Nu wij inmiddels tweeduizend jaar verder zijn, vragen velen zich af of je de Schrift wel letterlijk kunt nemen. Want wat is nou 'spoedig komen', als het al zolang duurt? Wel, dit heeft alles te maken met het plan van God en de wijze waarop Hij niet alleen Zijn Woord heeft geopenbaard, maar ook vervult. Natuurlijk lag het in Gods raadsbesluit dat de huidige tijd waarin Hij verborgen bleef, zou komen; met daarin een groep van gelovigen die in Christus reeds voor de grondlegging van de wereld uitverkoren is (Efe. 1:4). Maar was dit geheimenis bijvoorbeeld al door de profeten van het Oude Testament bekendgemaakt of gedurende de Handelingentijd, dan had met name Israël een excuus gehad. Dan had men immers kunnen zeggen: 'Wat heeft het voor zin om nu de Heere te volgen en deel te krijgen aan het verbond, als Hij binnenkort toch nog Zijn plan een andere wending geeft en wij (Israël) voorlopig naar de achtergrond verdwijnen?' Dit is er dan ook de reden van dat de waarheden over het Lichaam van Christus tot aan het einde van Handelingen - en dus pas aan het slot van de vijftienhonderdjarige periode waarin God Zijn Woord openbaarde - een geheimenis waren. Het "geheimenis van Zijn wil" (Efe. 1:9), "eeuwen en geslachten lang verborgen" (Kol. 1:26). Hierdoor kon in ieder geval niemand dit als excuus aanvoeren om niet tot geloof te komen.

Thans
Lukas maakt in zijn boek Handelingen duidelijk dat het door de Heere aangeboden heil afgewezen werd. In alle gebieden waar het getuigenis in die dagen klonk - Jeruzalem, Judea en Samaria en het uiterste der aarde - kwam Israël als volk niet tot geloof. Het waren slechts enkelingen die een gelovig overblijfsel in die dagen vormde: "Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel ontstaan, overeenkomstig de verkiezing van de genade" (Rom. 11:5). Nadat Israël alle kansen had gehad, maar als volk het heil afwees, waarmee de volle verantwoordelijkheid daarvoor bij het volk kwam te liggen, kon de Heere Zijn verborgen plan openbaren. Gelovigen die er gedurende de Handelingentijd al waren, gingen over van de ene groep in de andere en kregen deel aan het Lichaam van Christus. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan Paulus zelf, Timotheüs en de Filippenzen. Er waren overigens ook gelovigen die tot de groep uit de Handelingentijd bleven behoren! Denk daarbij aan de twaalven, die als toekomstige taak onder meer over de twaalf stammen van Israël zullen regeren (Matt. 19:28); een taak die niet tot de hoop van het Lichaam behoort. 
Na Handelingen waren er dus twee groepen, waarvan de ene 'uitstierf' en de andere bleef bestaan tot op de huidige dag. Wat ze gemeen hadden, was dat het gelovigen waren die door het offer van de Heere Jezus Christus met God verzoend waren en een nieuw leven hadden ontvangen. Immers, in alle tijden van Gods heilsplan geldt dat er slechts één fundament is dat de basis vormt voor het leven van de gelovige: de dood en opstanding van Christus!

Een persoonlijke hoop
In plaats van een collectieve hoop als de opname van de gelovigen (met de daarbij behorende opstanding) bij de openbaring van Christus in heerlijkheid (de gedachte dat de opname vóór de laatste jaarweek van Daniël zou plaatsvinden, is pas in de eerste helft van de 19e eeuw ontstaan), is er nu veel meer een persoonlijke hoop. In de afgelopen tweeduizend jaar is elke gelovige individueel na zijn sterven naar de Heere toegegaan (Fil. 1:21-23). Dit betekent hoe dan ook dat de opstanding van de gelovige van vandaag niet plaatsvindt bij de wederkomst, maar direct na het sterven. Slechts in een opstandingslichaam kan iemand bij de Heere aanwezig zijn! Paulus schrijft hierover in Filippenzen 3:10 en 11: "... opdat ik Hem mag kennen, en de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap met Zijn lijden, doordat ik aan Zijn dood gelijkvormig word, om hoe dan ook te komen tot de opstanding van de doden".
In verband met het sterven worden er vaak dingen door elkaar gehaald. Zo wordt de geest van de gelovige vaak gezien als de persoonlijkheid van de gelovige, je 'ik'. Het is belangrijk om er op te letten dat 'geest' - en dat geldt ook voor 'ziel' - niet altijd hetzelfde betekent. Als een mens sterft, gaat zijn geest terug naar de Heere. Dit geldt echter niet alleen voor de gelovige, maar voor elk mens, ja: alles wat adem heeft. De levensadem die mens en dier ontvangen aan het begin van hun leven, gaat terug naar de Heere aan het einde van dat leven (zie Hand. 17:25; Jes. 42:5; Pred. 3:19 en vooral ook Ps. 104:29 en 30). Het meest treffende bewijs van 'hoe het gaat', zien we in de Heere Jezus Zelf, Die aan het kruishout zei: "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest" (Luk. 23:46). In deze context van leven en sterven wordt met 'geest' dus niet je persoonlijkheid - je 'ik' - bedoeld, maar de levensgeest, adem.
Zo ging de Persoonlijkheid van onze Heiland na Zijn sterven naar het dodenrijk! Getuige de vele messiaanse gedeelten die we in het Oude Testament vinden, zoals Jona 2: "Uit de schoot van het graf (Hebr. sheol = dodenrijk) riep ik om hulp ..." (vs. 2; vgl. Matt. 12:40) en Psalm 18:6 en 30:4 (zie bijv. ook Hand. 2:32 en Openb. 1:17 en 18), is dit zonneklaar.
Na het sterven gaat de levensadem, de 'geest' (terug) naar God, terwijl de ‘persoon’ naar het dodenrijk gaat, waar "geen werk of overleg of kennis of wijsheid" is (Pred. 9:10). Hoelang hij zich in dat dodenrijk bevindt, hangt van allerlei factoren af. Voor wie zonder hoop op God geleefd heeft, geldt dat hij wacht op zijn opstanding tot het einde (bijv. 1 Kor. 15:24 en Openb. 20:11-13). Voor wie wel in God gelooft, is het ook nog van belang in welke fase van Gods plan hij leefde. Voor de gelovigen in de Handelingentijd betekende dit dat zij daar verblijven tot de komst (parousia) van de Heere (1 Kor. 15:23b en 1 Thess. 4:16). In de huidige tijd geldt dat de gelovige na zijn sterven onmiddellijk opstaat (vanzelfsprekend in een geestelijk lichaam) en met Christus zal zijn.
Daarom wordt in onze tijd vaak gezegd - hoewel dit op zich geen bewijs is - als een gelovige sterft: 'Hij (of zij) is nu bij de Heere'. Realiseer je echter wel dat dit alleen kan, omdat hij (of zij) al is opgestaan! Om dat 'mogelijk te maken', heeft de Heere ons al bij leven met Christus opgewekt!
Daarboven zet de Heere Zijn werk, dat Hij in ons was begonnen te doen, voort: "Ik vertrouw erop dat Hij Die in u een goed werk begonnen is, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus" (Fil. 1:6).

Een collectieve hoop
Toch zit er ook een collectieve kant aan onze hoop. Eenmaal - wanneer Christus Zich openbaart in Zijn heerlijkheid - zal die heerlijkheid getoond worden in het Lichaam van Christus. Paulus schrijft hierover in Kolossenzen 3:4 het volgende: "Wanneer Christus geopenbaard zal worden, Die ons leven is, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid". De N.B.G.-'51-vertaling geeft het beter weer: "Wanneer Christus verschijnt, Die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid". Het gaat dan om de 'verschijning van Zijn aanwezigheid', zoals het er letterlijk staat in 2 Thessalonicenzen 2:8b. Om zo met Hem te kunnen verschijnen, is het nodig dat wij reeds bij Hem zijn. Net als Paulus mogen ook wij met name het aspect van deze verschijning liefhebben (2 Tim. 4:8).

Het verdere verloop op aarde
Het is mijn verwachting dat in de nabije toekomst een periode zal aanbreken waarin de Heere weer duidelijk de draad gaat opnemen met Israël doordat er een herhaling van de Handelingentijd zal komen. Gelovigen zullen daarin de hoop hebben zoals die beschreven is in de brieven die tijdens de historische Handelingentijd geschreven zijn. De Heere zal dan Zijn volk opnieuw bepalen bij Zijn verbond. Gedurende die periode ligt het in de lijn van de Bijbelse verwachting dat Babel een steeds belangrijkere rol zal gaan spelen in de (her)vorming van het oude Romeinse Rijk, waar ook een groot gedeelte van Europa toe behoorde / zal behoren. Kortom: toenadering tussen de westerse Europese wereld en de oosterse Arabische wereld, met Babel aan het hoofd. Dit betekent ook dat er - net als in de Handelingentijd - in Israël met dezelfde munt betaald zal worde n als in de rest van dat 'nieuwe Romeinse Rijk' en dat Israël door dit toekomstige Rijk overheerst zal worden. Destijds was het Romeinse Rijk - dat in chronologische zin de vierde openbaring was van het oude rijk van Babel - immers ook de machthebber in Israël. Het ligt voor de hand dat er, evenals gedurende de historische Handelingentijd, ook weer een tempel (een heilige plaats) in Jeruzalem zal zijn, waar het dagelijks offer wordt gebracht.
Zoals er in de tijd direct na de Handelingenperiode twee groepen van gelovigen naast elkaar bestonden, zo lijkt het aannemelijk dat dit in het begin van deze toekomstige periode ook het geval zal zijn: de hier op aarde levende leden van het Lichaam van Christus waarvan er steeds minder zullen zijn én gelovigen met een andere hoop die juist naar de voorgrond komen.
De hierboven geschetste periode zal overigens uitlopen in wat dan bekend staat als 'de laatste jaarweek van Daniël', een zevenjarige periode waarin de strijd tussen het beest en de HEERE meer en meer in de openbaarheid komt. Het beest brengt het gelovig overblijfsel - met name in Jeruzalem - in grote verdrukking, maar uiteindelijk zal de Heere Zich in Zijn glorieuze heerlijkheid openbaren en de overwinning opeisen. 
Zo komt er een einde aan de tegenwoordige boze eeuw, waarin Babel het instrument is waarvan de satan zich bedient. En zo breekt de toekomende eeuw aan, waarin Jeruzalem de stad van de grote Koning zal zijn.

Voor meer over dit onderwerp verwijzen we graag naar het Morgenroodboekje 'Waar gaat het naartoe?' (ISBN 9789066942455).

Dit artikel is een bewerkte versie van een hoofdstuk uit het boek ‘Schatten uit Gods Woord’, Everread Uitgevers.

Duizenden lezers gingen u voor. Ondersteun AMEN. Word ook abonnee!

Nieuw in de Morgenroodreeks

De Morgenroodboekjes komen uit in de Morgenroodreeks: een serie Bijbelstudieboekjes die sinds 1960 wordt uitgegeven. De in deze reeks verschenen boekjes zijn handzaam en praktisch en helpen je verder om de Bijbel beter te leren kennen.

Bijbel en/of Wetenschap

De relatie tussen Bijbel en wetenschap is er één van water en vuur. Wie zegt dat hij gelooft dat God alles geschapen heeft en dat Adam en Eva echt bestaan hebben, wordt vanuit het 'andere kamp' wat meewarig aangekeken ... 'Gelóóf jij dat nog?'.
Dat geloof ook in de wetenschap een grote rol speelt, vergeet men voor het gemak maar even. Maar het is toch echt zo: eerst wordt bedacht hoe het zou kunnen zijn (theorie, aannames, uitgangspunten, geloof) en vervolgens worden daar de bewijzen bij gezocht en zegt men: zie je wel?!
Wanneer wetenschap ons dichter bij de waarheid brengt, is dat alleen maar goed. In de afgelopen zes eeuwen is er binnen de wetenschap echter een proces werkzaam waarbij de Bijbel geleidelijk buitenspel is gezet.

Dit boekje is geschreven met de rotsvaste overtuiging, dat de Bijbel het Woord van God is. Het is een geactualiseerde versie van het Morgenroodboekje Bijbel & Wetenschap (2013).

Ook als e-book verkrijgbaar!

Meer info & bestellen 'Bijbel en/of Wetenschap'

MOZES

Mozes heeft een belangrijke plaats in het plan van God. Zijn naam komt meer dan achthonderdvijftigmaal voor in de Bijbel. Er is niemand in de Bijbel tot wie de HEERE zo vaak en veel gesproken heeft. Zijn lange leven is verdeeld in drie perioden van veertig jaar. Aan het einde van zijn leven mocht hij zijn volk tot aan de grens van het beloofde land brengen.
Mozes wordt onder meer genoemd: de man Gods, Zijn dienaar, Zijn uitverkorene en profeet. God sprak "tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een man met zijn vriend spreekt" (Exod. 33:11a). En andersom noemde Mozes de HEERE: Mijn God!

Ook als e-book verkrijgbaar!

Meer info & bestellen 'MOZES'

De NAMEN in de Bijbel - 3e druk

In de Bijbel hebben namen een belangrijke betekenis. Vaak leren zij ons iets over het wezen en de aard van een persoon of een plaats. Bijbelse geschiedenissen krijgen meer 'kleur' wanneer we de betekenis kennen van de namen, die er in voorkomen.

Een 'saai' hoofdstuk als Genesis 5 gaat opeens leven. We begrijpen misschien iets meer van de grootte en het karakter van Abrahams geloof in Genesis 22, als we weten wat de betekenis is van Moria. De geschiedenis van de geboorte van Benjamin (Genesis 35) blijkt, wanneer we de betekenis van de namen in dit gedeelte onderzoeken, een grote profetische diepgang te hebben met betrekking tot de Heere Jezus Christus, Die ook in Bethlehem (= broodhuis) geboren werd ...

Zo zijn er vele voorbeelden te noemen, waarbij de betekenis der namen meer zicht geeft op de rijke inhoud van Bijbelse geschiedenissen. Met dit boek kunt u het zelf ontdekken.

Dit is inmiddels de derde druk van deze unieke uitgave!

  • Met een complete lijst met alle namen in het Oude en Nieuwe Testament; 
  • Voorzien van de Hebreeuwse en Griekse grondtekst (en de uitspraak daarvan);
  • De namen van God staan in de spelling van de Statenvertaling, de Herziene Statenvertaling, de NBG-’51-vertaling en de NBV;
  • Elke naam is voorzien van een betekenis, dan wel waarschijnlijke betekenis; 
  • Inclusief een complete lijst met alle schriftplaatsen waar de namen voorkomen, waar nodig uitgesplitst in verschillende personen, plaatsen, etc.;
  • Prachtige en stevige uitvoering;
  • Mooi om te hebben, maar ook heel mooi om weg te geven!

Meer info & bestellen 'De NAMEN in de Bijbel''