Er wordt in de Bijbel geschreven over het menselijk geweten. Eerst maar een paar voorbeelden, want als het Woord aan het woord is wordt het altijd duidelijker:
- Handelingen 23:1 "Paulus voor de raad: “Mannen broeders, ik heb voor God met een volkomen zuiver geweten gewandeld tot op deze dag”.
- Handelingen 24:16 "Paulus voor Felix: “En daarom oefen ik mijzelf om altijd een zuiver geweten te hebben voor God en de mensen”.
- Romeinen 9:1 “Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet en mijn geweten getuigt mee door de Heilige Geest”
- Romeinen 13:5 “Daarom is het ook nodig onderworpen (aan de overheid) te zijn, niet alleen omwille van de straf, maar ook omwille van het geweten”.
De eigen verantwoordelijkheid van de mens
Romeinen 1:20 zegt: “Want de dingen van Hem die onzichtbaar zijn, worden sinds de schepping van de wereld uit Zijn werken gekend en doorzien, namelijk Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, zodat zij niet te verontschuldigen zijn.”
Het Griekse woord voor ‘geweten’ is suneidesis en komt 30 keer voor in het Nieuwe Testament.
Het voorzetsel sun betekent: samen, dat wil zeggen dat het geweten iets met iemand anders gezamenlijk deelt. Het gaat om een samen ergens van bewust zijn.
En dan komt natuurlijk de vraag op: wie is die ander dan? De mede-weter moet alles met de Heere God te maken. Hij gaf ieder mens een geweten, “… zodat zij niet te verontschuldigen zijn” (Rom. 1:20) tegenover de Schepper.
Hoe zou dat zo gekomen zijn?
In Genesis 2:7 staat: “… toen vormde de HEERE God de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.” 
Met deze woorden heeft het de Heere God goed gedacht ons mensen daarover te informeren. Ik stel me dan zo voor dat Adam tot in de kleinste details ontworpen en gebouwd is door God. En daar is (ligt?) hij dan, een biologisch mens, helemaal compleet, maar er zit geen leven in. Vervolgens blaast de Heere God de levensadem via zijn neusgaten naar binnen en op deze manier werd Adam een levend wezen. Andere vertalingen hebben hier: “… zo werd de mens een levende ziel.”
Dat is wel mooi omschreven: de mens is dus ’een levend wezen’ geworden door de toevoeging van de levensgeest. Mét die levensgeest is mijns inziens ook het geweten ingeblazen zodat in ieder mens bepaalde Goddelijke principes bekend zijn. En dat hier een verbinding is tussen de Heilige Geest en het geweten blijkt uit Romeinen 9, vers 1: “Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet en mijn geweten getuigt mee door de Heilige Geest.”
Na het sterven van een mens gaat dezelfde levensgeest weer terug naar God volgens Prediker 12:7, waar staat dat de (levens)geest terugkeert tot God Die hem gegeven heeft. En dan is die mens geen levend wezen meer en is er dus ook geen geweten meer nodig.
Het lichaam keert vervolgens terug naar de aarde, want “… stof bent u en u zult tot stof terugkeren” (Gen. 3:19). De persoon zelf gaat tijdelijk naar het dodenrijk tot de jongste dag, of naar de hemel, zoals vermeld in de laatste brieven van Paulus (Fil. 1:20-23; 2 Tim. 4:18).
Hoe manifesteert zich ons geweten?
In 2 Korinthe 1:12-14 schrijft Paulus: “Want dit is onze roem: het getuigenis van ons geweten dat wij in eenvoud en oprechtheid voor God, niet in vleselijke wijsheid, maar in genade van God gedragen hebben, in de wereld en in het bijzonder ten opzichte van u.”
Gelovigen zijn dus blij met het bovenstaande, gewoon simpel en oprecht zijn voor God, met het geweten als hulp. Vers 13b: “… en ik hoop dat u het ook tot het einde toe zult begrijpen.”
Dus niet halverwege afhaken als Gods Woord ons iets nieuws openbaart.
In 2 Korinthe 5:11 zegt de apostel: “Nu wij dus deze vrees (= respect) voor de Heere kennen, bewegen wij de mensen tot het geloof en voor God zijn wij openbaar geworden, maar ik hoop ook voor uw gewetens openbaar te zijn.”
Paulus doet dus zijn best om medemensen ‘te bewegen’ tot het geloof, want voor God is hij openbaar en hij hoopt dat de gelovigen in Korinthe dat ook zijn. In de brief aan Timotheüs wijst hij hier ook op: “Het einddoel nu van het gebod (d.w.z. van dit mandaat) is; liefde uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof” (1 Tim. 1:5). Een ‘ongeveinsd geloof’ wil zeggen: oprecht en eerlijk, zonder schone schijn.
In 1 Timotheüs 6:3 -10 gaat het over de geestelijke misstanden die je als gelovige tegen kunt komen zoals een ‘andere leer’ en het zich niet houden aan de gezonde woorden van onze Heere Jezus Christus. Ook over verwaandheid en de ziekelijk neiging tot woordenstrijd en geldzucht die de wortel is van alle kwaad.
Paulus sommeert om vooral geen andere leer te onderwijzen: “… sommigen zijn daarvan afgeweken, en hebben zich gewend tot zinloos gepraat” (1 Tim. 1:6).
Vers 19: “En behoud het geloof en een goed geweten. Sommigen hebben dit verworpen, en hebben in hun geloof schipbreuk geleden.” Eigen verantwoordelijkheid dus.
Rekening houden met elkaar als gelovigen
In de groep gelovigen te Korinthe waren veel misstanden, lezen we. Er waren gelovigen die nog steeds deelnamen aan de maaltijden ter ere van afgoden. Ze komen er maar moeilijk los van en hun geweten spreekt en maakt hen onzeker (1 Kor. 8:7-13). Zwakke gelovigen worden ze hier genoemd.
Maar andersom kan ook. U kunt wel denken dat het geen kwaad kan afgodenvlees te eten, maar als een zwakke gelovige u daarbij ziet, raakt hij wellicht in verwarring door uw gedrag. De sterkere gelovige wordt er daarom op gewezen hier rekening mee te houden (vs. 9) om die ander niet te verontrusten.
Dat vlees stelt op zich niets voor en je mag eten wat je wilt, maar sommige gelovigen zijn nog niet zover, houd daar dus rekening mee. Doe je dat niet dan sla je de plank behoorlijk mis, volgens vers 13. Gebruik takt en innerlijke ontferming, waarover we lezen in Kolossenzen 3:12 en 13.
1 Korinthe 10:23-33 gaat over exact hetzelfde: “… alle dingen zijn mij geoorloofd, maar niet alle dingen zijn nuttig.” Alles wat in de vleeshal te koop is mag gegeten worden, want het zit hem niet in dat vlees, volgens vers 25. Maar heeft een medegelovige daar problemen mee, houd daar dan rekening mee ter wille van het geweten van die ander.
Geen woord in het Hebreeuws voor het geweten?
Het Griekse woord voor ‘geweten’ heeft in het Hebreeuws van het Oude Testament geen equivalent, maar het wordt wel duidelijk omschreven in vele teksten. Een paar voorbeelden:
- 2 Samuel 24:10 David realiseert zich door zijn geweten, dat zijn hart in hem bonsde nadat hij het volk geteld had. En David zei tegen de HEERE: “Ik heb zwaar gezondigd in wat ik heb gedaan.” Zijn hart veroordeelde hem van binnenuit.
- Job 19:27 “… mijn nieren bezwijken van verlangen in mijn binnenste.”
- Psalm 16:7 “… zelfs in de nacht onderwijzen mij mijn nieren.”
- Psalm 51:10 David smeekt de Heere God om innerlijke reiniging. Hij kent volgens vers 5 zijn overtredingen en vraagt God in vers 14: “Geef mij de vreugde over Uw heil terug, ondersteun mij met een geest van vrijmoedigheid.”
Hij is zijn vrijmoedigheid kwijt door eigen toedoen en dat zijn m.i. wel herkenbare zaken. En David gaat in zijn boetedoening heel ver: “… een verbrijzeld en verslagen hart zult U o God, niet verachten.” En hij is bij God aan het goede adres, wist hij, want hij schreef in Psalm 86, vers 5: “U, Heere, bent immers goed, mild om te vergeven en rijk aan goedertierenheid voor allen die U aanroepen.” - Psalm 94:10-11 “Zou Hij Die de heidenvolken bestraft, niet straffen, Hij Die de mens kennis bijbrengt? De HEERE kent de gedachten van de mens, vluchtig zijn ze.”
- Jeremia 31:33 ”Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal spreekt de Heere, Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.”
Geweten in het Oude Testament
Abraham had een hele mooie vrouw en dat werd bekend. De farao van Egypte pikte de vrouw van Abram in en dit bleef niet zonder gevolgen voor het hof in Egypte.
Genesis 12, vers 17: “Maar de HEERE trof de farao en zijn huis met zware slagen, vanwege Saraï, de vrouw van Abram. Toen riep de farao Abram en zei: wat hebt u mij aangedaan? Waarom hebt u mij niet verteld dat zij uw vrouw is? Waarom hebt u gezegd: Zij is mijn zuster, zodat ik haar tot vrouw genomen heb? Nu hier is uw vrouw neem haar en ga.” 
De farao was machtig genoeg om een simpele schapenboer Abram zijn vrouw blijvend te ontnemen, niemand zou hem beschuldigen, maar zijn eigen geweten wel, hij trok de juiste conclusie.
Abimelech, de koning van Gerar, had ook een geweten, toen hij jaren later Sara ook bij Abraham weg haalde. We lezen erover in Genesis 20. De Heere God greep Zelf in en alles kwam goed.
De latere Farao van Egypte had ook een geweten, toch onderdrukte hij het volk Israël ongenadig, terwijl ze nota bene uitgenodigd waren om daar te komen wonen door een vorige farao (Gen. 45:10).
Daarom verhardde God zijn hart, zodat hij steeds verder in de problemen kwam.
De koning van Ninevé had ook een geweten, want hij riep direct een vasten uit, omdat hij spijt had en zijn geweten hem overtuigd had (Jona 1:2 en 3:4).
Jakob was bang voor Ezau, volgens Genesis 32:7, in verband met het verleden en hoe hij zijn broer bedrogen had. Allemaal werk van het geweten dat in ieder mens aanwezig is.
Het geweten willens en wetens dichtschroeien
Je kunt ook heel bewust de andere kant kiezen en de Heere God de rug toe keren met alle gevolgen van dien. De mens kan van alles bedenken aan godsdienstig en religieus gezwam dat aannemelijk klinkt. Als gelovige zie je dat ook in de praktijk om je heen, bijvoorbeeld medegelovigen die nauwelijks zelf de Bijbel bestuderen; vaak een kwestie van gemakzucht. Zij zijn simpele prooien.
1 Tïmotheüs 4:1 en 2: “Maar de Geest zegt nadrukkelijk dat er in latere tijden sommigen afvallig worden van het geloof en zich zullen wenden tot misleidingen en leringen van demonen, door huichelarij van leugenaars, die hun eigen geweten als met een brandijzer hebben toegeschroeid.”
Dat gaat van kwaad tot erger, volgens vers 3: “… zij verbieden te trouwen en gebieden zich te onthouden van voedsel, dat God geschapen heeft voor de gelovigen en voor hen die de waarheid leren kennen, om onder dankzegging aanvaard te worden.”
Vers 4: “Want alles wat God geschapen heeft is goed en niets is verwerpelijk, wanneer het onder dankzegging aanvaard wordt.”
Dwaalleraars, zinloze praters en misleiders
Titus 1, vers 15: “Alle dingen zijn wel rein voor hen die rein zijn, maar voor hen die bezoedeld en ongelovige zijn, is niets rein, maar hun verstand en ook hun geweten zijn bezoedeld. Zij belijden dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met hun werken, aangezien zij verfoeilijk zijn en ongehoorzaam en tot elk goed werkt ongeschikt.”
Dat is dus verwijtbaar gedrag, want ze zijn verfoeilijk en ongehoorzaam terwijl ze door de werking van het ook in hen aanwezige geweten echt wel beter weten. Niks mee te beginnen dus.
Paulus vermaant Timotheüs (en ons!): “Maar u, spreek met wat bij de gezonde leer past.” Dat is een zaak van eigen verantwoordelijkheid en daarover sprak Paulus ook al in Romeinen 1, vers 20 b: “… zodat zij niet te verontschuldigen zijn.”
De andere kant van de medaille
Het pakt ook wel eens positief uit, volgens Romeinen 2:14 en 15: “Want wanneer heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet zegt, zijn zij, hoewel zij de wet niet hebben, zichzelf tot wet. Zij tonen dat het werk van de wet geschreven is in hun hart. Daar getuigt ook hun geweten van, en hun gedachten onderling beschuldigen of ook verontschuldigen elkaar.”
Let wel, dit wordt aan de Joden in Rome geschreven en ook zij zijn niet te verontschuldigen, ze zijn zelfs meer schuldig omdat aan hen de woorden van God waren toevertrouwd, volgens Romeinen 3:1.
Dit moeten de Joden wel met verbijstering gelezen hebben, terwijl op dat moment hun eigen geweten toch ook functioneerde.
En die heidenen waren volstrekt niet op de hoogte van alles wat God tegen Israël had gezegd, volgens Psalm 147:19 en 20: “Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn verordeningen en Zijn bepalingen. Zo heeft Hij voor geen enkel ander volk gedaan, die kennen Zijn bepalingen niet.”
De toorn van God over de heidenen
In Romeinen 1:18-32 is te lezen hoe een mens kan afzakken en naar eigen goeddunken verder leeft door het geweten te onderdrukken met alle gevolgen van dien.
Voor ‘mensen’ staat in vers 18 het Griekse antropos en dat betreft gewoon alle mensen van alle volken, culturen en tijden. En al die mensen weten alles, wat God vindt dat ze moeten weten. Hij heeft het hun Zelf bekend gemaakt en geopenbaard, volgens vers 19.
Met als gevolg “… dat niemand te verontschuldigen is” (vs. 20), “… want de dingen van Hem die onzichtbaar zijn, worden sinds de schepping van de wereld (Gr. kosmos) uit Zijn werken gekend en doorzien.”
Vers 21: “Want zij hebben, hoewel zij God kennen, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar zijn verdwaasd in hun overwegingen en hun onverstandig hart is verduisterd.”
Verduisteren is: het Licht (der wereld) bewust tegenhouden en afschermen zodat het donker om je heen wordt. Dat hebben die mensen heel bewust gedaan en ze zijn niet te verontschuldigen, want ze wisten zeer goed waar ze mee bezig waren.
Wat deed de Heere God dus?
Hij maakte de mens alles bekend wat Hij nodig vindt. Alles wat van God gekend kan worden heeft God Hoogstpersoonlijk aan hen geopenbaard. Zijn werking kan namelijk sinds de schepping van de wereld worden gekend en doorzien. Het gaat hierbij niet over een kleinigheid maar over ‘Zijn eeuwige kracht én Zijn Goddelijkheid’.
Wat deed de mens daarmee?
Romeinen 1:18-32 laat het zien:
• Ze houden de waarheid bewust in ongerechtigheid ten onder.
• Ze zijn verdwaasd in hun overwegingen, hun hart is verduisterd.
• Ze kenden God, maar hebben Hem niet verheerlijkt of gedankt.
• Terwijl ze zich uitgeven voor wijzen, zijn ze dwaas geworden.
• Ze zijn bekend met de onzichtbare dingen van God sinds de schepping van de wereld.
• Ze hebben de heerlijkheid vervangen door het beeld van een vergankelijk mens.
• Ze hebben de onvergankelijkheid/eeuwige van God vervangen door het beeld van vogels en beesten.
Dit hele neergaande traject heeft de mens bewust doorlopen, expres en in volle overtuiging. Een weg van afval, eigen waan, de waarheid ontkennen en vervangen door de leugen.
Gevolg
Vers 24: “Daarom ook heeft God hen in de begeerten van hun hart overgegeven aan onreinheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren.”
Hun ‘lichaam’ waarvan 1 Korinthe 3:16 zegt: “Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?” Zie ook 1 Korinthe 6, vers 20: “Verheerlijk daarom God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn.” Met ons lichaam mogen we dus niet zomaar doen wat we willen. Ook eigen verantwoording dus.
Daarna volgt in Romeinen 1:28 de reactie van God na hun bewuste neergang: “En omdat het hun niet goeddacht God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan verwerpelijk denken, om dingen te doen die niet passen.” En dan volgt in vers 29-31 een lange rij van zeer kwalijke zaken die een gelovige zich niet kan permitteren als hemelburger.
Vers 32 besluit met: ”Zij kennen het recht van God, namelijk dat zij die deze dingen doen de dood verdienen, en toch doen zij niet alleen zelf deze dingen, maar stemmen ook in met hen die ze doen.”
Conclusie
De mensen, gelovigen en ongelovigen in alle tijden, kregen van de Heere God het leven door middel van Zijn levensgeest, inclusief het geweten met daarin Gods basisprincipes. Op deze manier liet en laat de Heere God Zich gemakkelijk vinden.
Maar het laadt ook verantwoordelijkheid op ieder mens die nooit te verontschuldigen is. Daarbij is het geweten een onmisbare hulp. Vooral bij jonge kinderen blijkt het geweten heel dicht onder de oppervlakte prachtig te functioneren.
Heeft een mens dan besloten om God de eer te geven door in Hem te gaan gelovigen, dan komt de Heere God ook nog met Zijn Geest in hem of haar dit feit bekrachtigen (Efe. 1:13).
En als we dan op ons hart hebben om ook anderen te laten meegenieten van het heil, de genade en de liefde die we in Christus ontvangen hebben, dan is het een prachtige hulp te beseffen dat die ander ook een geweten heeft. We mogen de medemens daar best op aanspreken, als dat zo te pas komt. Schitterend dat de Heere God overal aan gedacht heeft!
Bijbelmagazine