Paulus, dienaar van de Gemeente

Paulus, dienaar van de Gemeente

Rekent Paulus zich in één van zijn ‘vroege’ brieven tot de dienaren van een nieuw verbond (2 Kor. 3:6), in zijn -late- gevangenschapsbrief aan de Kolossenzen zegt hij, dat hij een dienaar geworden is van de Gemeente, het lichaam van Christus.

Kolossenzen 1

In de laatste vijf verzen van dit hoofdstuk licht Paulus zijn bediening, en het doel daarvan, toe.

Vers 24
“Thans verblijd ik mij over hetgeen ik om uwentwil lijd, en vul ik in mijn vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van zijn lichaam, dat is de Gemeente”

Als Paulus zegt “thans” moeten we denken aan zijn verblijf in gevangenschap in Rome. Dat is voor hem niet eenvoudig geweest. In het laatste vers spreekt hij over “een zware strijd”. Toch kan hij zeggen: “Thans verblijd ik mij…”. Hij mag zijn strijd zien tegen de achtergrond van Gods plan.
Oppervlakkig gelezen, lijkt het alsof Christus nog niet genoeg geleden heeft in het vlees, en dat Paulus dat nu in zijn leven aanvult. Maar dat is m.i. niet de bedoeling. Wij moeten vers 24 lezen in samenhang met vers 25, waar Paulus spreekt over zijn bediening.
Het gaat dus om het lijden i.v.m. zijn bediening. En die bediening sluit aan op de bediening van de Here Jezus Christus op aarde!
Aan het lijden van Christus tot verzoening van onze zonden, etc. kan niets worden toegevoegd: Het is volbracht!
Toen Christus stierf was Zijn werk volbracht, maar het werk van God (nog) niet. De grond van het bestaan van de Gemeente ligt vast in Jezus' bloed en wonden. Maar het fundament tot de uitroeping en de opbouw van de Gemeente als het lichaam van Christus is gelegd na de opstanding en hemelvaart van Christus. De apostelen, m.n. Paulus, hebben het werk van Christus voortgezet. Beter gezegd: Christus heeft na Zijn hemelvaart, door Zijn Geest, het werk voortgezet en gebruikte daarvoor in aanvang de apostelen..... en later dus ook Paulus.

Paulus verrichtte dus een aanvullend werk, dat verankerd ligt in het volbrachte werk van Christus, en dat brengt ook voor hem (evenals voor de Here Zelf) lijden met zich mee. Het lijden van Paulus staat dan ook in verband met de opbouw van het lichaam van Christus..."ten behoeve van Zijn lichaam, de Gemeente". (Vgl. ook 2 Tim.2:8 en 9).
Zoals Christus in het vlees moest lijden tijdens Zijn aardse bediening, om Zijn opdracht (de bediening van de Here Jezus stond in het teken van Israëls verlossing, zie bijv. Matt.15:24 en Rom. 15:8) te volbrengen, zo moest ook Paulus in het vlees lijden (verdrukkingen doorstaan), om zijn opdracht te volbrengen. En zo vult Paulus niet alleen het werk van Christus aan, maar dientengevolge ook de verdrukkingen van Christus.
Daar komt bij, dat het lijden c.q. de verdrukkingen van Gods kinderen niet buiten de Heer om gaan: "Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij...".
Het lijden van Paulus werd verzacht door de blijdschap over het resultaat van zijn werk, of eigenlijk: het resultaat van Gods werk!

Vers 25
“Haar dienaar ben ik geworden krachtens de bediening, die mij door God is toevertrouwd, om onder u het Woord van God tot zijn volle recht te doen komen…”.

Paulus noemt zich hier dus een dienaar van “Zijn lichaam, dat is de Gemeente”. Waar zijn 1e bediening (of, zo u wilt, het 1e deel van zijn bediening) in het teken stond van Gods handelen met Israël en de heidenen in het licht van het Koninkrijk, tegen de achtergrond van het Nieuwe Verbond, daar richt zijn 2e bediening zich op Gods Plan met het Lichaam van Christus, zoals die in zijn latere brieven wordt gepresenteerd: het Lichaam, waarvan Christus het Hoofd is (vgl. Efe. 1:22,23 en Kol. 1:18).
De NBG-vert. zegt: “krachtens de bediening”, terwijl de St. Vert. het woord ‘bedeling’ gebruikt. De grondtekst heeft het woord ‘oikonomia’ (= huishouding, rentmeesterschap, beheer). Hier staat dus eigenlijk, dat de Here God Paulus een ‘rentmeesterschap’ heeft toevertrouwd c.q. gegeven. Paulus is dus aangesteld als rentmeester of beheerder, die namens God optreedt en Zijn bedoelingen bekendmaakt. De dingen die belangrijk zijn in en voor deze ‘bedeling’. Degenen, die in deze ‘bedeling’ leven, en die woorden horen (of: lezen) worden geacht in overeenstemming daarmee te leven.

Doel

Met welk doel heeft God deze ‘bedeling’ of ‘rentmeesterschap’ aan Paulus gegeven? Wel, dat staat erbij: “om onder u het Woord van God tot zijn volle recht te doen komen”. Het woord dat hier gebruikt wordt (Gr. ‘plerooo’) kan ook vertaald worden met: ‘vervullen’, ‘vol maken’, ‘vervolledigen’. Het gaat erom, dat met deze bediening van Paulus Gods Woord volgemaakt, d.i. volledig vervuld wordt.
De Here Jezus had dat vroeger ook al aangekondigd. In Johannes 16:12-15 belooft de Heer de komst van de Geest der waarheid, die de weg zou wijzen tot de “volle waarheid”. De Here Jezus heeft dus niet de volle waarheid gesproken. Dat klinkt haast ketters, maar toch is het waar. Niet dat de Heiland heeft gelogen, dat zij verre! Nee, Hij heeft de ‘waarheid’ slechts ten dele geopenbaard, voor zover dat in Zijn tijd nodig was volgens de Raad van God. De Heer deed niets uit Zichzelf, maar werd geleid door de Vader in Zijn handelen en spreken. In Zijn spreken heeft de Heer de waarheid, het Woord van God, aangevuld tot zover dat in die fase van Gods Plan nodig was.
In Handelingen 1:1 lezen wij: “Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Teofilus, over al wat Jezus begonnen is te doen en te leren, tot de dag, dat Hij werd opgenomen…”.
Lukas (de schrijver van het Evangelie en Handelingen) zegt hiermee dus eigenlijk, dat hetgeen opgetekend is in het boek Handelingen een vervolg is op het handelen en het onderwijs van Jezus. Alleen, Hij handelt en spreekt dan niet meer door Zijn lichamelijke aanwezigheid op aarde, maar door Zijn Geest vanuit Zijn hemelse plaats: “…gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt en gij zult Mijn getuigen zijn…” (Hand. 1:8).
In Handelingen zien we inderdaad, dat de Heer Zijn werk voortzet en door Zijn Geest de apostelen nog veel meer te zeggen heeft. Hij inspireert hen tot het schrijven van hun brieven, waarin de waarheid meer en meer wordt ontvouwd.
De laatste persoon, die de verhoogde Christus roept tot het apostelschap is Paulus: “…hiertoe ben Ik u verschenen om u aan te wijzen als dienaar en getuige daarvan, dat gij Mij gezien hebt en dat Ik aan u verschijnen zal, u verkiezende uit dit volk en de heidenen, waarheen Ik u zend…” (Hand. 26:16 e.v.).
Hieruit moge blijken, dat Paulus dus meerdere verschijningen heeft gehad. Ongetwijfeld heeft de Heer hem zo ingeleid en ingewijd in Gods Plan. Daardoor kwam de ‘waarheid’ tot een volheid, oftewel: het Woord van God werd vervolledigd. Het allerlaatste -belangrijke- deel van wat God door Zijn Woord bekend wilde maken heeft Hij geopenbaard aan Paulus, terwille waarvan de apostel deze gevangenschap moest ondergaan (vgl. Efe. 4:1, 6:19, Kol. 4:3).

Vers 26
“…het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar thans geopenbaard aan zijn heiligen”.

De ‘bedeling’, die God aan Paulus heeft gegeven, heeft dus te maken met het geheimenis. Efeze 3:9 spreekt dan ook over “…de bediening (Gr. ‘oikonomia’, zelfde woord als in Kol.1:25) van het geheimenis, dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen…”.
Het laatste onderwijs van God, dat van toepassing is op deze ‘bedeling’, is dus altijd verborgen geweest. Niet eerder was daarvan iets te ontdekken. God heeft met de bekendmaking gewacht totdat Israël definitief (doch niet voor altijd!) terzijde was gesteld, middels de verklaring van Paulus in Handelingen 28:23-28.

Dit geheimenis heeft betrekking op het Lichaam van Christus, zoals die nu in deze tijd wordt geformeerd. Die Gemeente bestond reeds in Gods Raad vóór de grondlegging der wereld.
Het geheimenis zit ‘m vooral in de eenheid met Christus. Het is één Lichaam, waarvan de Here Jezus Christus Zelf het Hoofd is en wij de leden. Wij zijn “…samen-erfgenamen, samen-lichaam en samen-delers” (letterlijke vertaling van Efe. 3:6) met Christus, deelgenoten van de familie van God.
Het grote einddoel van Gods plan, nl. ‘God alles in allen’ is nu reeds een (verborgen) realiteit voor de Gemeente, omdat Christus ‘alles is en in allen’ (Kol. 3:11).
Dat betekent dus, dat wij met Christus delen in Zijn positie boven alle overheid en macht, en samen met Hem gezeten zijn ter rechterhand Gods in de hemelse gewesten. God ziet en kent ons in alles in Christus en heeft ons volledig met Hem vereenzelvigd. Wij delen in Zijn heerlijkheid en dat zal op de Dag van Christus ook zichtbaar worden (vgl. Fil. 1:6, Efe. 2:7).

Vers 27
“Hun heeft God willen bekendmaken, hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de heidenen: Christus onder u, de hoop der heerlijkheid”.

Het woord ‘willen’ kan hier ook weergegeven worden met ‘wensen’ of ‘verlangen’ en staat in de zgn. aoristus tijdsvorm. Dit geeft aan, dat de uitdrukkelijke wens van God om de heerlijkheid van het geheimenis bekend te maken ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, met name door de bediening van de apostel Paulus.

Het feit, dat Paulus hier spreekt over het ‘geheimenis onder de heidenen (= volkeren)’ is eigenlijk een bevestiging van de verklaring in Handelingen 28:28 “Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen!”.
Het ‘heil Gods’ is in wezen niemand minder dan de Persoon van de Here Jezus Christus. Als Simeon het Kindje Jezus in zijn armen houdt, zegt hij: “…mijn ogen hebben Uw heil gezien…” (Luk. 2:30).
Christus kwam tot het volk in vernederde gestalte. Johannes getuigt van Hem en zegt: “Het Woord is vleesgeworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd…” (Joh. 1:14).
Echter, het volk Israël wees Hem (en dus het heil) af. Na Zijn hemelvaart werd het heil opnieuw gepredikt aan de Israëlieten, in binnen- en buitenland. Maar ook toen werd Hij niet aanvaard. Uiteindelijk wordt het volk (tijdelijk) terzijde gezet en verstrooid onder de volken (± 70 na Chr.). Enige jaren daarvoor is het heil reeds naar de heidenen gezonden, zodat Israëlieten ook buiten het land deel konden krijgen aan de Heiland. Wat een genade van God!

Het geheimenis is nu, dat Christus verborgen is onder de heidenen en woning maakt in de harten van gelovigen. In het verborgene is God bezig het Lichaam van Christus te formeren en de leden daarvan mogen met Christus delen in Zijn heerlijkheid.
Christus wordt hier genoemd ‘de hoop der heerlijkheid’. Christus woont in de harten der gelovigen en daarom hebben zij een geweldig uitzicht op een heerlijke toekomst, waarin zij op zichtbare en tastbare wijze mogen delen in de heerlijkheid van Christus. In het volgende hoofdstuk zegt Paulus: “…uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, Die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid” (Kol. 3:3-4).

Vers 28
“Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid, om ieder mens in Christus volmaakt te doen zijn”.

“Hem (d.i. Christus, zoals beschreven in vers 27) verkondigen wij”, zegt Paulus. Het is dus belangrijk in de pediking vooral de heerlijkheid van de Here Jezus Christus naar voren te brengen en te onderstrepen, dat de gelovige daar deel aan mag hebben. Nu reeds, terwijl hij of zij in dit leven hier op aarde nog allerlei moeite, lijden en verdrukkingen heeft te doorstaan. Zoals Paulus zelf ook spreekt over een ‘zware strijd’, die hij te strijden heeft.
God wil, dat wij onderwezen worden in alle wijsheid om te komen tot een ‘volledig inzicht’ (2:2) van het geheimenis Gods, Christus “in wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn” (2:3).
Iemand in Christus “volmaakt te doen zijn” (Gr. ‘teleios’) wijst op het onderwijs, dat de gelovige brengt tot een geestelijke volwassenheid.
In Efeze 4 spreekt Paulus daar ook over. God heeft onderwijzers gegeven, die de heiligen toerusten, zodat zij kunnen opwassen tot de mannelijke rijpheid. Niet meer heen en weer geslingerd door allerlei wind van leer, maar stevig gefundeerd in ‘het heil Gods’, namelijk: Christus.
Dat vereist van onze kant uiteraard overgave, geloof en gehoorzaamheid, zodat God het goede, dat Hij in ons gelegd heeft, kan uitwerken, tot Zijn eer.

Vers 29
“Hiervoor span ik mij ook in, onder zware strijd, naar Zijn werking, die in mij werkt met kracht”.

Het was voor Paulus niet eenvoudig deze bediening uit te oefenen. Hij moest er boeien voor dragen, als een misdadiger. Toch raakt hij niet in paniek. Hij wist, dat er slechts Eén heerschappij in zijn leven had, God Zelf, Die hem tot deze bijzondere taak geroepen had als verkondiger en apostel, leermeester der heidenen (1 Tim. 2:7; 2 Tim. 1:11). Uit zijn laatste woorden - zie 2 Tim.4:7 e.v.- blijkt, dat hij tot het einde toe het volste vertrouwen had in Zijn hemelse Vader, Die alles tot heerlijkheid brengt.

Zo mag het ook voor ons te allen tijde een rijke troost zijn, dat God nooit laat varen het werk Zijner handen, ook niet in ons persoonlijk leven. In alles en door alles heen komt God tot Zijn doel.
En voorzover wij onze dienst aan Hem hier en nu, met alle aardse zwakheden erbij, volbrengen, mogen wij dat doen in Zijn kracht. Hij zal voorzien in hetgeen nodig is. Hij zal ons leiden en over ons waken. Hij zal ons brengen op de door Hem bestemde plaats. Wat ons, leden van het Lichaam van Christus, betreft is dat een plaats boven alle overheid en macht, ‘ter rechterhand Gods’.
Wat nu reeds een geestelijke realiteit is voor ons, dat zal straks ook een lichamelijke werkelijkheid zijn.

Zó heeft God het besloten, zó heeft God het bekendgemaakt, zó zal Hij het uitvoeren en zó mogen wij het geloven!

Duizenden lezers gingen u voor. Ondersteun AMEN. Word ook abonnee!

Pas verschenen in de Morgenrood-reeks

De Morgenroodboekjes komen uit in de Morgenroodreeks: een serie Bijbelstudieboekjes die sinds 1960 wordt uitgegeven. De in deze reeks verschenen boekjes zijn handzaam en praktisch en helpen je verder om de Bijbel beter te leren kennen.

NIEUWSTE UITGAVE: Petrus, mens & apostel

Impulsief, direct, vol liefde, koppig, enthousiast, berouwvol ...

Eigenschappen die van toepassing zijn op Petrus.

Als apostel neemt hij een voorname plaats in als het gaat om het werk van God. Hij is letterlijk een 'sleutelfiguur' in Gods plan met Israël; hem zijn immers de sleutels van het koninkrijk der hemelen gegeven. Hij was één van de drie apostelen die bijzondere dingen meemaakte met de Heere Jezus. De opgestane Heer stelde hem in Zijn dienst om Zijn lammeren te weiden en Zijn schapen te hoeden. Hij was destijds één van de steunpilaren van de gemeente te Jeruzalem.

Als mens is hij iemand in wie we ons gemakkelijk kunnen herkennen.

Ook als e-book verkrijgbaar!

Info & Bestellen

Leeswijzer - Doelgericht Bijbellezen

Meer weten over Degene in Wie je als christen gelooft? Dan is de Bijbel dé bron van informatie. Daarbij is het niet alleen belangrijk dát je de Bijbel leest, maar ook hóe je leest. Wil je ontdekken wat God heeft geopenbaard en zeggen wil? Of zoek je bevestiging van hoe je zelf je geloof wilt 'inrichten'?
Doelgericht Bijbellezen is van grote invloed op de wijze waarop we leven, gemeente-zijn en zicht hebben op Jezus Christus.

Met vragen om persoonlijk of groepsgewijs verder over na te denken.

Ook als e-book verkrijgbaar!

Info & Bestellen

Recente uitgaven Everread Uitgevers

Naast de boekjes uit de Morgenroodreeks geeft Everread ook andere boeken uit. Wie een Everread-abonnement heeft, ontvangt naast de uitgaven in de reeks óók elke nieuwe uitgave van Everread (jaarlijks 2 á 3) met een korting van 25%!

Schatten uit Gods Woord - 3

De serie Schatten uit Gods Woord bevat boeken waarin allerlei Bijbelse onderwerpen worden behandeld. Deze onderwerpen kun je zien als schatten die je opgraaft vanuit Gods Woord. David zegt: "De woorden van de HEERE zijn reine woorden, als zilver gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal" (Ps. 12:7). Hij schrijft dit om daarmee de betrouwbaarheid van Gods woorden te onderstrepen. Zij staan wat dat betreft lijnrecht tegenover de woorden die trouweloze mensen spreken (zie vs. 2-5). Wat God zegt in Zijn Woord kun je zonder meer aannemen; Hij is immers Zelf de waarheid! Daarom is het zo de moeite waard om de Bijbel te lezen, te overdenken en te leren begrijpen. Daar word je wijs van!

Spreuken 3:13-15 zegt:
"Welzalig is de mens die wijsheid vindt,
                          de mens die inzicht verkrijgt, want
                                - haar opbrengst is beter
                                  dan de opbrengst van zilver en
                                - haar inkomen beter dan bewerkt goud,
                                - zij is kostbaarder dan robijnen.
Al jouw wensen zijn met haar niet te vergelijken".

Bekijk hier de inhoudsopgave van dit boek

Info & Bestellen