Heeft Jefta zijn dochter geofferd?

Heeft Jefta zijn dochter geofferd?

Beloofd is beloofd! Bij mensen gaat dat niet altijd op, maar bij de Heere God is dat een ander verhaal. Jefta heeft dat ondervonden. Hij had een strijd te voeren tegen de Ammonieten en beloofde dat als hij zou winnen, het eerste dat uit zijn huis hem tegemoet zou komen als een brandoffer voor de HEERE te offeren. En wat zag hij bij thuiskomst? Zijn dochter, zijn enig kind! En nu?

De woorden "En Jefta deed de HEERE een gelofte" (Richt. 11:30) worden ingeleid door "Toen kwam de Geest van de HEERE op Jefta" (vs. 29). Deze beide zinsdelen zijn aan elkaar verbonden en hebben daarom alles met elkaar te maken. Het was niet in een opwelling, maar in beslag genomen door de Heere Zelf deed Jefta een gelofte, waarin de overwinning over de vijanden centraal stond: "Als U de Ammonieten geheel in mijn hand zult geven, dan zal dat wat naar buiten komt en mij vanuit de deur van mijn huis tegemoetkomt, als ik in vrede terugkeer van de Ammonieten, voor de HEERE zijn, en ik zal het als brandoffer offeren" (vs. 30 en 31).
Vanuit menselijk standpunt beschouwd, lijkt het allemaal zo voorwaardelijk: 'als U mij dit geeft, dan geef ik U dat'. Bij velen liggen deze woorden - zeker wanneer gekeken wordt naar de dramatische gevolgen hiervan - ten grondslag aan de gedachte dat je maar beter niet overhaast dingen moet beloven. Je ziet wat er van komt. Want wat gebeurde er? Toen Jefta na zijn overwinning op de Ammonieten terugkeerde naar huis, kwam zijn dochter hem tegemoet: "Zijn enige kind; hij had verder geen zoon of dochter" (vs. 34). Een groot verdriet is het gevolg: "Ach, mijn dochter! Je laat mij diep neerbukken en je hoort nu bij hen die mij in het ongeluk storten" (vs. 35). Wat een tragiek!

Brandoffer
Nu is de vraag natuurlijk (afgezien van wat er uiteindelijk gebeurd is) of Jefta daadwerkelijk zijn dochter ten brandoffer heeft gebracht. Zeker gezien Jefta's reactie in vers 35 zou de gedachte naar voren kunnen komen, dat dit inderdaad gebeurd is.
De visies in de verschillende bijbelcommentaren zijn op dit punt uiteenlopend. Waar de één meent voorzichtigheid te moeten betrachten en de waarheid eigenlijk in het midden laat, daar zegt de ander volmondig dat Jefta zijn dochter inderdaad gedood en ge(brand)offerd heeft. Toch is die gedachte ongemakkelijk. Als je leest wat er verder over Jefta geschreven staat, is er schroom om volmondig 'amen' te zeggen op laatstgenoemde uitleg. Eigenlijk zijn we eerder geneigd ons te scharen aan de zijde van hen die het tegendeel beweren. Immers, de woorden die Jefta typeren, zijn zo positief: Jefta kende Gods Woord; hij was zich bewust van de aanwezigheid van de Heere; hij was getrouw aan de Heere. Kortom, hij was gewoon een gelovig man.
Zou een gelovige dan nooit een dergelijke misstap kunnen begaan? Helaas wel! Maar vergeet niet wat we lazen: "Toen kwam de Geest van de HEERE op Jefta ...". We hebben hier niet met zomaar een gelovige te maken, maar met een man, wiens werken en woorden - zeker op het moment waar het hier om gaat - bestuurd werden door de Heere Zelf; een man naar wie later verwezen wordt als zijnde een geloofsgetuige (Hebr. 11:32)!

Een kanttekening bij de vertaling
Het eerste waar nu iets van gezegd moet worden, is de vertaling van Richteren 11, vers 31: "… dan zal dat wat naar buiten komt en mij vanuit de deur van mijn huis tegemoetkomt (…) voor de HEERE zijn, en ik zal het als brandoffer offeren".
Tegen de wijze waarop hier vertaald is, kan enerzijds niets worden ingebracht. Daar is niets mis mee. Anderzijds laat de grondtekst ook ruimte voor een wat andere weergave. Het zwaartepunt ligt in de betekenis en vertaling van het woordje 'en'. Dit voegwoord (een voegwoord verbindt gewoonlijk twee woorden, zinsdelen of zinnen aan elkaar) is de vertaling van het Hebreeuwse woord 'we', dat naast de hoofdbetekenis 'en' ook een aantal andere betekenissen heeft. In Richteren 11 vinden we het bijvoorbeeld vertaald met "toen" (vs. 29 en 34). Daarnaast wordt het vertaald met "ook" (bijv. 1 Sam. 25:43). In Genesis 2:17 waar we lezen: "... maar van de boom van de kennis van goed en kwaad …" is "maar" de weergave van dit voegwoord. Zo zijn er nog wel meer voorbeelden te noemen (bijv.: 'noch', hetzij'). Het is vooral afhankelijk van het verband waarin het gebruikt wordt, wat de betekenis is. In een belangrijk aantal gevallen wordt dit woordje ook gebruikt om twee tegengestelde mogelijkheden aan elkaar te voegen. In dergelijke gevallen vinden wij het in 'onze' Bijbel terug als 'of'. Dit is bijvoorbeeld in Exodus 21 het geval. In vers 16 staat daar: "Wie een mens ontvoert, of hij hem nu verkocht heeft, of dat hij hem nog in zijn bezit heeft, moet zeker gedood worden". De vetgedrukte woorden zijn vertalingen van het Hebreeuwse 'we'. We zien in deze tekst ook dat hier niet 'en' zou kúnnen staan in plaats van 'of'. Of de ontvoerde mens is verkocht, óf hij wordt gevonden in de hand van degene die hem ontvoerd heeft. Het is óf het één óf het ander.
Ditzelfde zien we in Leviticus 21:14 en 22:23. In deze laatste tekst staat: "... een rund of een stuk kleinvee met te lange of te korte poten mag u wél als vrijwillige gave bereiden …". U begrijpt het: gezien het verband is het niet mogelijk om in dit geval te vertalen met 'en'. Want 'een rund en een stuk kleinvee met te lange en te korte poten' zou wel een heel vreemd beest opleveren.
Terug naar Richteren 11. Mijns inziens moeten we de vertaling met 'of' ook hier doorvoeren. Zeker gezien de gevolgen van beide zinsdelen: het zal 'voor de HEERE zijn' en 'ik zal het als brandoffer offeren') lijken we het meest te moeten denken aan 'of' in plaats van 'en'. En in dat geval zegt Jefta dus: 'Het zal voor de HEERE zijn of ik zal het als brandoffer offeren'.

Het brandoffer
Wat hier bovendien nog meespeelt, is dat we weten dat Jefta een man was, die leefde met Gods Woord. Hij heeft dus ongetwijfeld geweten dat de Heere het (letterlijk) offeren van mensen verbiedt. Het is zelfs ten strengste verboden door de Heere (vergelijk bijv. Deut. 18:10). In Exodus 13 - de wet op de eerstgeborenen - wordt gezegd: "... dat u alles wat de baarmoeder opent, aan de HEERE zult afstaan. Ook alles wat de baarmoeder opent van de dracht van het vee dat u toebehoort: de mannetjes zullen voor de HEERE zijn" (vs. 12). De woorden "aan de HEERE zult afstaan" betekenen niets anders, dan dat het eerstgeborene geofferd moest worden (vs. 15). Dit gold zowel mens als dier. Toch betekende dit niet dat het eerstgeboren jongetje uit een gezin daadwerkelijk geofferd moest worden! Voor hem was er - evenals voor het ezelsveulen - een uitzondering: "Maar alles wat de baarmoeder van een ezelin opent, moet u vrijkopen met een lam. Als u het niet vrijkoopt, moet u het de nek breken. Maar wat de mensen betreft, moet u alle eerstgeborenen onder uw zonen vrijkopen" (vs. 13).
We leren hieruit dat God niet wil dat mensen letterlijk geofferd worden. Maar in overdrachtelijke zin moest dat wel degelijk gebeuren! Immers al wat als eerste uit de moederschoot voortkwam, behoorde de HEERE toe. In hun plaats moest er een dier geofferd worden. Het ezelsveulen krijgt dezelfde uitzonderingspositie. Daarmee wordt het ezelsveulen tot op zekere hoogte gelijkgesteld aan een eerstgeboren zoon. De geestelijke betekenis van deze dingen is dat de zonen van Israël gelost, dan wel verlost, moesten worden door een plaatsvervangend offer. Gebeurde dat niet, dan was voor hen geestelijk waar, wat voor het ezelsveulen letterlijk waar was: "... indien gij het niet lost, zult gij het de nek breken", oftewel: doden.
In Genesis 22 is sprake van eenzelfde gedachte in de bekende geschiedenis van Abraham, die de opdracht krijgt zijn enige zoon (vs. 2; vgl. Hebr. 11:17) te offeren als een brandoffer. We vinden hier hetzelfde woord 'brandoffer' als in Richteren 11, het Hebreeuwse 'olah'. Hoewel Abraham de opdracht krijgt Izak te (brand)offeren, wordt Izaks plaats uiteindelijk ingenomen door een plaatsvervangend offer (een ram), dat een beeld is van het offer van de Heere Jezus Christus. Izak staat hier als nageslacht van Abraham op dezelfde lijn als de eerstgeboren zoon uit Exodus 13. Hij werd gelost door een stuk kleinvee, zoals de (eerstgeboren) zonen van het volk Israël verlost werden door het Lam van God. Maar in de dood van het plaatsvervangend offer sterft het volk zelf ook! "Als Eén voor allen gestorven is, dan zijn zij allen gestorven", zegt Paulus (2 Kor. 5:14b). Een waarheid die uiteindelijk voor elk mens geldt. Ook voor Izak is dit waarheid gebleken: "Hij (= Abraham) overlegde bij zichzelf dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken. En hij kreeg hem als het ware daaruit ook terug" (Hebr. 11:18b en 19).
Hoewel Izak als brandoffer geofferd moest worden, werd niet híj als offer gedood, maar stierf een dier in zijn plaats. God vraagt niet letterlijk het leven van mensen, maar wel in overdrachtelijke zin. En dat wist Jefta ook!
Hoe het brandoffer precies gezien moet worden, komt tot uitdrukking in de prachtige betekenis van het Hebreeuwse 'olah'. Dit woord is afgeleid van het werkwoord 'alah', dat betekent: opgaan, opstijgen, klimmen. Denk aan de naam van de Israëlische luchtvaartmaatschappij 'El Al', 'naar boven'. Het brandoffer was iets dat door het offeren omhoogsteeg naar de hemel, waarin de volkomen toewijding van de offeraar aan God tot uitdrukking kwam.
En met dat we dit constateren, moeten we concluderen dat het eigenlijk niet zoveel uitmaakt of we in Richteren 11:31 nu lezen 'of ik zal het als brandoffer offeren' dan wel ‘en ik zal het als brandoffer offeren'. Waar het om gaat, is dat door deze gelofte dat wat Jefta het eerst uit zijn huis tegemoet zou komen aan de HEERE zou toebehoren. Het zou Hem volkomen toegewijd worden.
Het enige wat Jefta aan nageslacht had, was zijn dochter en uitgerekend zij kwam als eerste zijn huis uit, hem tegemoet. Op grond van de gelofte steeg zij volkomen ten hemel op, in die zin, dat zij voor altijd de HEERE toegewijd zou zijn! Jefta was zijn dochter kwijt.

De gelofte
Het komt meerdere malen in de Schrift voor dat er geloften worden gedaan. De eerste keer dat dit gebeurt, vinden we in Genesis 28 waar Jakob de gelofte doet, dat wanneer de HEERE hem zou beschermen op zijn weg, hem zou voeden en hem in vrede zou doen terugkeren, hij God stipt de tienden zou geven van alles wat God hem geven zou (vs. 20-22). Over die tienden zou Jakob niet meer de beschikking hebben; ze waren voor de HEERE. In enkele gevallen is er sprake van dat een persoon het onderwerp is van een gelofte (hieronder moeten we ook de gelofte rekenen met betrekking tot het nazireeërschap, zoals beschreven in Numeri 6).
Die persoon zou dan - evenals de tienden bij Jakob - de HEERE toebehoren en in Zijn dienst staan.
Een bekend voorbeeld hiervan is de gelofte van Hanna, de vrouw van Elkana. Ze had geen kinderen. De HEERE had haar moederschoot toegesloten, tot groot verdriet van Hanna. Dit verdriet werd nog versterkt door Peninna, de andere vrouw van haar man, die haar tergde om haar tot drift te prikkelen (1 Sam. 1:5 en 6). Elkana ging jaarlijks op naar Silo om daar de HEERE van de legermachten te aanbidden en Hem offers te brengen. Tijdens één van die keren gebeurde het dat Hanna bitter bedroefd tot de HEERE bad en zeer weende: "Zij legde een gelofte af; zij zei: HEERE van de legermachten, wanneer U werkelijk de ellende van Uw dienares aanziet, aan mij denkt en Uw dienares niet vergeet, maar aan Uw dienares een mannelijke nakomeling geeft, dan zal ik die voor al de dagen van zijn leven aan de HEERE geven …" (1 Sam. 1:11).
En zo is het ook gegaan! De jongen die geboren werd - Samuël - heeft zijn leven lang de HEERE toebehoord en in de dienst van God gestaan. In tegenstelling tot de dochter van Jefta betekende dit voor Samuël overigens niet dat hij niet trouwde en kinderloos bleef. Wat één en ander wel tot gevolg had, is dat Samuël al van jongs af aan dienst deed voor het aangezicht van de HEERE (1 Sam. 2:11 en 18). Hierin bracht deze gelovige moeder een groot offer: "Daarom heb ik hem ook voor al de dagen dat hij op aarde is, aan de HEERE overgegeven" (1 Sam. 1:28). Hoewel het er niet met zoveel woorden staat, was Samuël dus eigenlijk een offer, dat geheel voor de HEERE bestemd was.
Ook Jefta's dochter zou de HEERE worden toegewijd. Wellicht werd zij iemand die dienst deed in de nabijheid van het heiligdom van de HEERE (vergelijk Exod. 38:8, waar sprake is van vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tent van ontmoeting). Voor Jefta's dochter betekende dit, dat zij ongetrouwd bleef. "Zij heeft geen gemeenschap gehad met een man" (Richt. 11:39). De geschiedenis besluit dan met: "En het werd een gewoonte in Israël, dat de dochters van Israël van jaar tot jaar op weg gingen om met de dochter van Jefta, de Gileadiet, te praten, vier dagen per jaar" (Richt. 11:39b en 40). Dit 'met haar praten' of 'aanspreken' (Statenvertaling) is de vertaling van een woord dat als grondbetekenis heeft: geschenken geven of herhalen. In de vorm zoals het in Richteren 11 gebruikt wordt, moeten we eronder verstaan: herhaaldelijk lofprijzen, eer geven.

Foto: Jephtha’s Daughter – Bon Boullogne (ca 1650) – Hermitage St. Petersburg

De reden van Jefta's grote rouw (Richt. 11:35) moeten we naar alle waarschijnlijkheid ten eerste zoeken in het feit dat hij zijn dochter niet meer in huis zou hebben. Ten tweede staat er dat ze geen gemeenschap heeft gehad met een man. Dat betekent dat Jefta door deze dochter geen nakomelingen meer zou krijgen. Ze was Jefta's enige kind. Hij had behalve haar zoon noch dochter.
Het antwoord op de vraag: 'Heeft Jefta zijn dochter geofferd?' is dus: Ja en nee! Nee, niet letterlijk als brandoffer op het altaar, en ja, wel in geestelijke zin: voor altijd de HEERE toegewijd!

Duizenden lezers gingen u voor. Ondersteun AMEN. Word ook abonnee!

Pas verschenen in de Morgenrood-reeks

De Morgenroodboekjes komen uit in de Morgenroodreeks: een serie Bijbelstudieboekjes die sinds 1960 wordt uitgegeven. De in deze reeks verschenen boekjes zijn handzaam en praktisch en helpen je verder om de Bijbel beter te leren kennen.

NIEUWSTE UITGAVE: Psalm 23

Het KIND en de kinderen

"Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen, zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen" (Psalm 103:13).

In de inleiding schrijft de auteur: 'Bijbelse woorden zijn zuiver. Ze komen van God, Die heilig is. Ze vertellen geen leugens, ze zijn waar en betrouwbaar. Zijn Woord is door Zijn Geest op doordachte wijze tot zinnen gevormd. Aan de formulering is veel aandacht besteed. Het is Zijn goddelijke manier van 'zeggen' om tot ons hart te spreken'.
Vanuit deze overtuiging is dit boekje geschreven. Het bevat een boeiende en verrassende woordstudie over het woord 'kind' in met name het Nieuwe Testament. Maar behalve dat is dit boekje ook een handleiding van hoe je Bijbelstudie kunt doen. De schrijfster geeft de lezer of lezeres een kijkje in haar overwegingen en - als het ware hardop denkend - neemt zij hem of haar mee op de weg naar het resultaat van haar onderzoek.

Ook als e-book verkrijgbaar!

Info & Bestellen

Belangrijke Bijbelwoorden

Geloof - gerechtigheid - genade - uitverkiezing - verzegeling

Er zijn veel bekende woorden in de Bijbel die vaak door gelovigen worden gebruikt. Voor dit boekje hebben we er vijf uitgekozen: geloof, gerechtigheid, genade, uitverkiezing en verzegeling. Wat voor betekenis hebben ze in de Bijbel en welke plaats hebben ze in onze persoonlijke relatie met God?

In elk van de vijf hoofdstukken in dit boekje wordt één van deze onderwerpen bestudeerd. De lessen die ze ons leren, hebben onderling met elkaar te maken en draaien om een schitterend middelpunt: de genade van God. Het zicht op de werking van Gods genade in je leven - in je redding, in je praktische leven nu en in je hoop op de toekomst - doet je groeien in het begrip van Wie God voor je is.

Bekijk hier de inhoudsopgave

Ook als e-book verkrijgbaar!

Info & Bestellen

Recente uitgaven Everread Uitgevers

Naast de boekjes uit de Morgenroodreeks geeft Everread ook andere boeken uit. Wie een Everread-abonnement heeft, ontvangt naast de uitgaven in de reeks óók elke nieuwe uitgave van Everread (jaarlijks 2 á 3) met een korting van 25%!

Teken nu in op 'Schatten uit Gods Woord - 4'

Dit vierde deel uit de serie Schatten uit Gods Woord bevat - evenals de eerste drie delen - vele uiteenlopende en interessante onderwerpen. Wie de inhoudsopgave van dit boek bekijkt, heeft meteen een overzicht daarvan. Het is niet noodzakelijk om de hoofdstukken van begin tot einde te lezen. Elk hoofdstuk staat op zichzelf en kan daarom ook afzonderlijk gelezen worden.

Het algemene motto voor het uitgeven van deze serie is te lezen in Spreuken 16:20. Hier staat:

“Wie verstandig omgaat met het Woord,
zal het goede vinden,
en wie op de HEERE vertrouwt:
welzalig is hij”.

Schatten uit Gods Woord - 4 verschijnt rond 24 november 2018.

Teken hier in